Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD6859

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
25-01-2002
Zaaknummer
36516
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/68
FED 2002/59
WFR 2002/200, 1
V-N 2002/9.25 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.516

7 december 2001

FA

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 augustus 2000, nr. 99/03738, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak januari 1997 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ c aan enkelvoudige belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1 Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat de verstrekte kleding geen werkkleding is fiscale zin is. Met werkkleding in fiscale zin heeft het Hof klaarblijkelijk bedoeld werkkleding als omschreven in artikel 15, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 in verbinding met artikel 18 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990. Met betrekking tot dergelijke niet als werkkleding aan te merken kleding kan de werknemer ingevolge artikel 36, lid 1, letter f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen aftrekpost geldend maken indien hij die zelf koopt. Een vergoeding voor dergelijke kleding is ingevolge artikel 11, lid 1, letter j, in verbinding met artikel 15, lid 1, letter f, van de Wet op de loonbelasting 1964 belast. Dit is niet anders indien in plaats van een vergoeding in geld een verstrekking in natura plaatsvindt. Bij de totstandkoming van de Wet van 27 april 1989, Stb. 123, waardoor bepaalde kosten, waaronder kosten van kleding niet zijnde werkkleding, niet aftrekbaar zijn en niet onbelast kunnen worden vergoed, is immers het uitgangspunt geweest dat dergelijke kosten steeds worden geacht betrekking te hebben op privé-uitgaven (vergelijk Hoge Raad 28 juni 1995, nr. 30255, BNB 1995/335 onder 3.5). Het verstrekken van dergelijke kleding door de werkgever levert dan ook steeds loon op. Anders dan in het middel wordt verondersteld is hierbij niet van belang of de werknemer zich in privé uitgaven bespaart.

3.2 Nu uitgaven voor kleding niet zijnde werkkleding, ook als zij in verband kunnen worden gebracht met de vervulling van de dienstbetrekking, steeds worden aangemerkt als privé-uitgaven, kan - mede in het licht van de door het Hof in zijn uitspraak onder 5.4 geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting bij de Wet van 13 december 1996, Stb. 655 - niet worden gezegd dat de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964. De verstrekking van zodanige kleding levert dus loon in natura op dat steeds moet worden gewaardeerd naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.

3.3 Het middel bestrijdt 's Hofs uitspraak als onbegrijpelijk en onjuist met een betoog dat erop neerkomt dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat de werkgever de kleding in eigendom heeft verstrekt, terwijl slechts sprake is geweest van terbeschikkingstelling van kleding. Volgens het middel kan in die situatie niet de waarde in het economische verkeer van de kleding worden belast, doch slechts de waarde van het genot daarvan. Nu het Hof zich over de vorm van het verstrekken niet heeft uitgelaten, terwijl in de in het beroepschrift voor het Hof en de daarbij gevoegde bijlagen ligt besloten dat sprake was van slechts ter beschikking gestelde kleding, moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat inderdaad sprake is geweest van terbeschikkingstelling van kleding.

3.4 Ook indien de kleding slechts ter beschikking is gesteld terwijl de eigendom bij de werkgever bleef, is echter het resultaat waartoe het Hof is gekomen juist. De in dat geval te belasten waarde in het economische verkeer van het genot van kleding dient, nu men zich in het algemeen het genot van kleding verschaft door die kleding te kopen, zeker in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om kleding die ter beschikking is gesteld door een werkgever aan zijn enige werknemer, worden gesteld op de waarde van de desbetreffende kleding in het economische verkeer. Voorzover het middel een andere opvatting verdedigt met een beroep op de fiscale behandeling van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto, waarbij slechts de waarde van het privé-genot daarvan kan worden belast, ziet het eraan voorbij dat, anders dan bij het gebruik van een auto het geval is, de wetgever - zoals onder 3.1 is overwogen - ervan is uitgegaan dat de aan het gebruik van kleding niet zijnde werkkleding verbonden kosten steeds in hun geheel worden aangemerkt als privé-uitgaven. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is op 7 december 2001 vastgesteld door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.