Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD6783

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
36854
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ondernemingsrecht 2002, 13 met annotatie van S. van den Berg
BNB 2002/46
FED 2002/81
FED 2001/692
WFR 2001/1869, 1
V-N 2002/2.8 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.854

7 december 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 januari 2001, nr. 98/03498, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 901.813, onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen ten bedrage van ƒ 106.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 705.063, onder vermindering van de belasting met investeringsbijdragen ten bedrage van ƒ 106. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. B is sedert de jaren tachtig betrokken bij een groot aantal besloten vennootschappen. G B.V., waarin B 50,5 percent en zijn echtgenote 49,5 percent van de aandelen houden, fungeert als houdstermaatschappij.

Op 29 december 1987 heeft B alle geplaatste aandelen in belanghebbende gekocht voor ƒ 1. Belanghebbende fungeert als tweede houdstermaatschappij van B.

In april 1992 heeft B K B.V. opgericht. K B.V. is geen dochtervennootschap van G B.V. of belanghebbende.

B heeft in juni 1992 de aandelen K B.V. overgedragen aan AA. AA heeft op 12 juli 1994 de aandelen K B.V. geleverd aan O GmbH.

3.1.2. G B.V. had onder meer een vordering in rekening-courant op belanghebbende. Per 31 december 1992 beliep deze vordering ƒ 934.064, waartegenover G B.V. in haar balans een voorziening had getroffen voor hetzelfde bedrag. Vervolgens heeft G B.V. deze vordering verkocht aan K B.V. tegen betaling door K B.V. van het saldo in rekening-courant per 31 december 1993 tussen G B.V. en K B.V., welk saldo ƒ 208.192 bleek te zijn. Hiervan is een overeenkomst opgemaakt die is gedateerd 4 januari 1993. In de overwegingen van deze overeenkomst wordt vermeld dat de vordering op belanghebbende niet opeisbaar is en niet rentedragend is, waardoor er geen objectieve waarde aan die vordering toegekend kan worden en dat partijen hun onderlinge financiële verhoudingen wensen te saneren alsmede hun financiële verhoudingen met belanghebbende.

Belanghebbende heeft op 31 december 1993 een bedrag van ƒ 208.192 betaald aan K B.V. De door K B.V. gekochte rekening-courantvordering op belanghebbende van nominaal ƒ 934.064 nam hiermee af. Volgens de grootboekkaart van K B.V. bedroeg de vordering na nog enige andere mutaties per ultimo 1993 ƒ 718.818.

Bij de overname in 1994 van K B.V. heeft O GmbH geen vergoeding betaald voor de vordering van K B.V. op belanghebbende.

In de aangiften vennootschapsbelasting en de jaarrekeningen over 1993 tot en met 1995 van K B.V. (na naamswijziging op 5 december 1995: L B.V.) wordt geen melding gemaakt van de vordering op belanghebbende.

In een faxbericht van 28 augustus 1997 is namens L B.V. aan B medegedeeld dat de rekening-courant tussen belanghebbende en L B.V. 'per heden' het saldo nul heeft bereikt en er derhalve geen vordering van L B.V. op belanghebbende meer bestaat.

Bij brief van 24 maart 1998 aan de Inspecteur verklaart AA namens L B.V. dat het saldo van de rekening-courant tussen L B.V. en belanghebbende in de periode 1 januari 1996 tot 28 augustus 1997 ongewijzigd is gebleven, dat het saldo eind augustus 1997 is afgelost door een betaling van haar moedermaatschappij EE GmbH en dat in deze periode geen andere financiële banden hebben bestaan tussen L B.V. en belanghebbende.

In de jaarstukken en in de aangifte vennootschapsbelasting over 1996 van belanghebbende wordt nog melding gemaakt van de schuld van ƒ 718.818 aan K B.V.

In de aangifte over 1997 laat belanghebbende de schuld aan (inmiddels) L B.V. vrijvallen, maar doet zij een beroep op vrijstelling wegens kwijtscheldingswinst tot het bedrag van ƒ 718.818.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de Inspecteur terecht het bedrag van ƒ 718.818 tot de belastbare winst van belanghebbende heeft gerekend. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende ermee ingestemd dat ingeval het bedrag belastbaar zou zijn, het tot de winst van belanghebbende over het onderhavige jaar moet worden gerekend.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op alle in het geding gebleken omstandigheden, de inning van de schuld zozeer onwaarschijnlijk is geworden dat de kans dat de schuld niet meer wordt voldaan op honderd procent moet worden geschat, en dat de schuld aan L B.V. in belanghebbendes fiscale balans alsdan op nihil dient te worden gewaardeerd. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat niet is gebleken van enige omstandigheid waaruit blijkt dat K BV de vordering op belanghebbende heeft prijsgegeven, en dat voorts de omstandigheden dat een schuld onbetaald is gebleven en dat de schuldeiser geen pogingen (meer) onderneemt om de schuld te innen, niet de conclusie kunnen dragen dat de vordering door de schuldeiser is prijsgegeven.

3.4. Het middel richt zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat niet is gebleken van enige omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat K B.V. haar vorderingsrecht op belanghebbende heeft prijsgegeven.

Dit oordeel geeft onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat van prijsgeven in de zin van art. 8, lid 1, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 slechts sprake kan zijn indien uitdrukkelijk wordt kwijtgescholden, berust het oordeel op een onjuiste, te beperkte, opvatting van dat begrip prijsgeven. Indien het Hof heeft bedoeld dat niet is gebleken dat in feite K B.V. definitief had afgezien van pogingen haar vordering te innen, is het oordeel niet toereikend gemotiveerd. Immers, indien het oordeel aldus moet worden begrepen, is het in het licht van 's Hofs vaststellingen dat de vordering niet voorkomt in de jaarrekeningen vanaf 1993 van K B.V./L B.V. en dat de inning van de schuld zozeer onwaarschijnlijk is geworden dat de kans dat de schuld niet meer wordt voldaan op honderd procent moet worden geschat, alsmede de inhoud van de tot de gedingstukken behorende overeenkomst van 4 januari 1993 en van het faxbericht van 28 augustus 1997, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

3.5. Het Hof heeft - in zijn zienswijze ten overvloede - tevens geoordeeld dat belanghebbende tegenover de bestrijding door de Inspecteur geen zodanige gegevens omtrent haar financiële positie heeft verschaft, dat deze de conclusie zouden rechtvaardigen dat pogingen van de schuldeiser tot inning en verhaal van de schuld op belanghebbende vruchteloos zouden blijven.

3.6. Voorzover het middel dit oordeel bestrijdt met een motiveringsklacht, slaagt het eveneens. Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende balans van belanghebbende voor het onderhavige jaar en op de door belanghebbende in haar conclusie van repliek ingenomen stellingen dat de stille reserves in belanghebbendes onroerende zaken in 1993 werden overtroffen door ƒ 2.000.000 aan extra hypothecaire zekerheden die belanghebbende heeft moeten verstrekken aan haar financier, dat alle huurinkomsten van de verschillende onroerende zaken waren verpand aan de bank en dat er vanaf 1992 daarnaast sprake was van een verliesgevende exploitatie van de onroerende zaken, welke stellingen als zodanig niet door de Inspecteur zijn bestreden, is

's Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd.

3.7. Uit het hiervóór in 3.4 en 3.6 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 4260 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2001.