Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD6781

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
36494
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/44
FED 2001/690
FED 2002/33
WFR 2001/1868, 1
V-N 2001/64.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.494

7 december 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 augustus 2000, nr. P99/2397, betreffende na te melden aan X te Z (België) opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het jaar 1985 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 714.504, met een verhoging van de nagevorderde belasting van ƒ 154.442, waarvan de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag geen kwijtschelding heeft verleend. Zowel de navorderingsaanslag als de beschikking inzake de verhoging is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de navorderingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was tot 1986 middellijk aandeelhouder van H B.V. (hierna: H B.V.). Sinds 1986 houdt hij middellijk 40% en zijn broer A middellijk 60% van de aandelen in B B.V. (hierna: B B.V.), welke vennootschap sindsdien alle aandelen in H B.V. houdt. Met ingang van 1988 vormen B B.V. en H B.V. een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. H B.V. heeft in de jaren 1982 tot en met 1993 bedragen overgeboekt naar een bankrekening in Luxemburg.

3.2. Het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur in zijn brief van 13 juni 1996 heeft geschreven welke fiscale gevolgen naar zijn oordeel voor B B.V. en A zijn verbonden aan de in die brief bedoelde stortingen op een bankrekening in Luxemburg; dat de Inspecteur daarbij heeft vermeld dat hij aan B B.V. en A navorderingsaanslagen zal opleggen over de jaren 1990 tot en met 1993 en dat de Inspecteur voorts heeft geschreven dat over 1989 en eerdere jaren geen navordering kan plaatsvinden.

3.3. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende uit die brief, gelet op de gelijkenis binnen B B.V. van zijn positie met die van A, redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Inspecteur aan de in die brief bedoelde betalingen voor hem geen andere fiscale gevolgen zou verbinden dan in die brief vermeld en dat hij met name uit die brief redelijkerwijs kon en mocht begrijpen dat de Inspecteur over 1989 en eerdere jaren op grond van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens geen belasting meer zou heffen in verband met de in die brief bedoelde stortingen op een bankrekening in Luxemburg. Hieraan heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan het opleggen van de bestreden navorderingsaanslag.

3.4. Het middel, dat zich richt tegen 's Hofs beide hiervóór in 3.3 weergegeven oordelen, faalt. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 36495 tot en met 36503 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een tiende van ƒ 4260, derhalve ƒ 426 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2001.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van ƒ 630.