Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD6429

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2001
Datum publicatie
30-11-2001
Zaaknummer
36987
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/109
FED 2001/674
BNB 2002/57 met annotatie van Mr. E. Aardema
WFR 2001/1836, 3
V-N 2001/64.13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.987

30 november 2001

FA

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s Gravenhage van 30 januari 2001, nr. BK-99/01643, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 196.705, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een kostenegalisatiereserve gevormd in verband met haar voornemen tot het toekennen van pensioenrechten aan haar directeur-enig aandeelhouder.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de vorming van een kostenegalisatiereserve niet aanvaard wegens het ontbreken van een stellig karakter aan bedoeld voornemen.

3.2. Het Hof heeft met juistheid vooropgesteld dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende aannemelijk maakt dat sprake is van een stellig voornemen om aan haar directeur een pensioen toe te zeggen.

3.3. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende niet is geslaagd in het van haar verlangde bewijs nu zij geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die blijk geven van een situatie die haar verhinderde dat zij de pensioenrechten al in het onderhavige jaar zou toekennen en naar aanleiding waarvan toen is volstaan met het kenbaar maken van een voornemen tot het toekennen van pensioenrechten.

Het middel voert terecht aan dat voor het bewijs dat sprake is van een stellig voornemen niet beslissend is of belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert en, indien betwist, aannemelijk maakt, die voor haar aanleiding waren in het onderhavige jaar te volstaan met het opvatten van een voornemen tot het toekennen van pensioenrechten en (nog) niet over te gaan tot het toekennen van zodanige rechten. Dit voornemen kan ook op andere wijze worden aangetoond.

Het middel kan evenwel niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft op grond van de door belanghebbende zelf ter zitting verstrekte toelichting dat niet is uitgesloten dat van toekenning van een pensioenaanspraak zal worden afgezien als dat gunstiger is, geoordeeld dat het voornemen tot het toekennen van pensioenrechten te vrijblijvend is, zodat geen sprake is van een stellig voornemen.

Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier W.G. Heesakkers-Kamerbeek, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2001.