Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD6428

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2001
Datum publicatie
30-11-2001
Zaaknummer
36914
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/673
BNB 2002/40
WFR 2001/1836, 2
V-N 2001/63.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.914

30 november 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 december 2000, nr. P99/03279, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 152.123, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 139.120.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende houdt alle aandelen in B B.V., waarvan hij tevens directeur is. Deze vennootschap exploiteert een bouwbedrijf. Belanghebbende is voorts directeur en enig aandeelhouder van C B.V. Laatstgenoemde vennootschap houdt zich voornamelijk bezig met de verhuur van compressoren.

In 1983 heeft B B.V. haar activiteiten uitgebreid met de exploitatie van een camping. Belanghebbende verhuurde ten behoeve van het campingbedrijf tot zijn privé-vermogen behorende grond aan B B.V..

Aan beide hiervóór genoemde vennootschappen is door de Rabobank (hierna: de bank) vóór 1987 krediet verleend, waarvoor door belanghebbende, in zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder van evengenoemde vennootschappen, ter meerdere zekerheid hypotheek is verstrekt op de hem in privé toebehorende onroerende zaken, bestaande uit zijn woning met ondergrond alsmede de daarbij gelegen grond waarop vanaf 1983 de camping wordt geëxploiteerd. Uit de toelichting op de balans van B B.V. per ultimo 1986 blijkt dat de zekerheid geen betrekking heeft op het rekening-courantkrediet verstrekt ten behoeve van de camping.

Per 1 januari 1987 is het campingbedrijf, inclusief alle daarop betrekking hebbende activa en passiva, door B B.V. aan belanghebbende overgedragen. Voorts heeft belanghebbende in zijn eenmanszaak onder meer ingebracht de ondergrond waarop het campingbedrijf wordt gedreven.

In 1994 heeft belanghebbende het campingbedrijf gestaakt en de hiervóór genoemde onroerende zaken verkocht. Teneinde de onroerende zaken volledig vrij van hypotheek te leveren heeft belanghebbende zijn schulden, zowel privé als zakelijk, alsmede de schulden van B B.V. ad ƒ 154.747 en C B.V. ad ƒ 38.036, aan de bank afgelost. Ten belope van deze bedragen verkreeg belanghebbende regresvorderingen op de vennootschappen.

In verband met de slechte financiële situatie van de vennootschappen zijn de regresvorderingen door belanghebbende in het onderhavige jaar volledig afgeboekt.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen, voorzover in cassatie van belang, in geschil of de regresvorderingen tot het ondernemingsvermogen kunnen worden gerekend, zodat (een deel van) de afwaardering van deze vorderingen ten laste van de winst van het onderhavige jaar kan worden gebracht.

3.3. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat de zekerheidsstelling door belanghebbende voor de kredietverstrekking door de bank aan B B.V. en C B.V. is ontstaan in de privé-sfeer.

3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat niets erop duidt dat de zekerheidsstelling op of na 1 januari 1987 uit de privé-sfeer is overgegaan naar de sfeer van de onderneming en dat de omstandigheid dat het tot zekerheid dienende object gedeeltelijk tot het verplichte ondernemingsvermogen is gaan behoren, hieraan niet afdoet nu de zekerheid betrekking heeft op schulden van de vennootschappen die niet in enig verband staan met de exploitatie van de camping en belanghebbendes privé-reden voor het stellen van de zekerheid ook overigens geen wijziging heeft ondergaan.

3.5. Het in 3.4 vermelde oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Uitgaande van dat oordeel heeft het Hof terecht geoordeeld dat de regresvorderingen die zijn ontstaan ten gevolge van de aflossing door belanghebbende van de onderhavige schulden, behoren tot belanghebbendes privé-vermogen en dat afboekingen op deze vorderingen mitsdien niet tot enige aftrek op het belastbare inkomen leiden. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier W.G. Heesakkers-Kamerbeek, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2001.