Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD6424

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2001
Datum publicatie
30-11-2001
Zaaknummer
36380
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/35 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 2001/670
FED 2002/225
WFR 2001/1835, 1
V-N 2001/63.3 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.380

30 november 2001

FA

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 juni 2000, nr. BK-99/00451, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 33.699.

Vervolgens is haar over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 83.272, met een verhoging van 100 percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op 50 percent. De navorderingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben zich in privé borg gesteld voor een schuld van een door hen beheerste B.V. (hierna: de vennootschap) aan de zuster en de zwager van belanghebbende (hierna: de lening). In de onderhandse akte, opgemaakt op 21 oktober 1989, waarin die borgstelling is neergelegd, is het volgende vastgelegd:

"Ondergetekenden, X-Y en X verklaren hierbij, dat zij zich jegens B en C te T borg stellen voor de terugbetaling van de lening van f 100.000 (honderdduizend gulden), verstrekt bij overeenkomst d.d. 21-10-1989."

Aangezien de vennootschap niet in staat bleek de lening terug te betalen, zijn belanghebbende en haar echtgenoot als borg in privé voor betaling van de hoofdsom en de daarover verschuldigde rente aangesproken. Begin januari 1995 is een minnelijke regeling getroffen op grond waarvan, kort weergegeven, in 1995 aan de zuster en de zwager van belanghebbende een bedrag van f 100.000 is betaald tegen finale kwijting.

Belanghebbende, van beroep belastingadviseur, heeft in haar aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 een bedrag van f 55.774 als rente van schulden opgevoerd. Met betrekking tot een deel van dit bedrag heeft zij de volgende toelichting gegeven:

"In 1995 is een bedrag van f 100.000 betaald aan B te T wegens een borgstelling voor hoofdsom en rente. De overeengekomen rente bedroeg promessedisconto + 2%. De berekening van de rente vindt u in de bijlage. Van de betaalde f 100.000 kan een bedrag van f 48.573 worden aangemerkt als rente. De documentatie is bijgevoegd."

Bij het aangiftebiljet was een bijlage gevoegd met een berekening van het bedrag van f 48.573.

In april 1998 is bij belanghebbende een boekenonderzoek inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften in de inkomstenbelasting voor de jaren 1992 tot en met 1996 ingesteld. Op grond van de bevindingen van de controlerende ambtenaar tijdens het boekenonderzoek heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van de lening in 1995 geen rente heeft betaald en dat belanghebbende ter zake daarvan ten onrechte een bedrag van f 48.573 in aftrek van haar inkomen heeft gebracht.

3.2. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat de betaling van f 100.000 louter betrekking heeft op de hoofdsom van de lening, en niet deels ten titel van rente van schulden is gedaan. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is in het licht van de tekst van de borgstellingsakte en de tussen de advocaten van de bij de lening betrokken partijen gevoerde correspondentie niet onbegrijpelijk, en het behoefde geen nadere motivering. De tegen voormeld oordeel gerichte klacht faalt derhalve.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de ten onrechte in aftrek gebrachte rente de Inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden, dan wel opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, zodat belanghebbende in deze te kwader trouw is als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Gelet hierop behoef belanghebbendes klacht dat het Hof ten onrechte geoordeeld heeft dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim van de zijde van de Inspecteur, geen behandeling.

3.4. Tenslotte falen de klachten ook voorzover zij zijn gericht tegen 's Hofs oordeel dat het aan opzet dan wel aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven, aangezien ook dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2001.