Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD6421

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2001
Datum publicatie
30-11-2001
Zaaknummer
36244
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/56 met annotatie van J. van Soest
FED 2001/668
WFR 2001/1834, 1
V-N 2001/64.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.244

30 november 2001

FA

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 juni 2000, nr. 98/1098, betreffende na te melden ingehouden bedrag aan premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Van belanghebbende is over het tijdvak januari 1998 een bedrag van f 702,75 ingehouden aan loonbelasting en f 1150 aan premie volksverzekeringen. Belanghebbende heeft tegen het ingehouden bedrag aan premie volksverzekeringen bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf van voormeld bedrag, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was werkzaam als ambtenaar bij bedrijf A van de gemeente R. In het kader van een reorganisatie heeft B - het voormalige bedrijf A - bij beslissing van 14 november 1996 aan belanghebbende buitengewoon verlof (met behoud van bezoldiging) verleend tot 1 maart 2000. Aansluitend zou de dienstbetrekking worden beëindigd en zou belanghebbende gebruik maken van de zogenoemde FPU-regeling. Met ingang van 1 mei 1997 is belanghebbende in België gaan wonen.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in de gehele periode van het buitengewone verlof geacht moet worden in Nederland te hebben gewoond en dat hij gedurende deze periode in Nederland verzekerd was, zodat op het salaris over januari 1998 terecht f 1150 aan premie volksverzekeringen is ingehouden.

3.3. Belanghebbende stelt met recht dat de omstandigheid dat hij ingevolge artikel 2, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geacht moet worden (in de relevante periode) in Nederland te hebben gewoond niet kan leiden tot de door het Hof gemaakte gevolgtrekking dat hij ook verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen. Het gaat in deze zaak immers niet om de vraag of belanghebbende onderworpen is aan inkomstenbelasting maar om de vraag of hij in de relevante periode verzekerd (en dus op grond van artikel 6 Wet financiering volksverzekeringen premieplichtig) was ingevolge de volksverzekeringen. Eveneens met recht voert belanghebbende aan dat het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 1989, 164 (hierna te noemen: het Besluit) regelt in hoeverre niet in Nederland wonende personen als belanghebbende in de relevante periode verzekerd waren ingevolge de volksverzekeringen. Artikel 3 van het Besluit bepaalt dat de niet in Nederland wonende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon (behoudens in deze zaak niet aan de orde zijnde uitzonderingen) verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen, onder meer indien hij in Nederland is aangeworven. Aan de laatstbedoelde eis is kennelijk voldaan, nu belanghebbende niet heeft aangevoerd en ook niet gebleken is dat hij buiten Nederland is aangeworven. Te beantwoorden is dus de vraag of er tussen belanghebbende en de gemeente R gedurende de periode van het aan belanghebbende verleende buitengewone verlof nog een dienstbetrekking bestond in de zin van het eerste lid van artikel 3 van het Besluit. Onder het aldaar bedoelde begrip dienstbetrekking vallen ook rechtsbetrekkingen als die tussen belanghebbende en de gemeente R gedurende de periode waarin belanghebbende buitengewoon verlof (met behoud van bezoldiging) was verleend. De omstandigheden dat belanghebbende gedurende het hem verleende buitengewone verlof geen arbeid meer behoefde te verrichten en dat dat verlof hem verleend is teneinde hem in staat te stellen voldoende dienstjaren op te bouwen om met ingang van 1 maart 2000 gebruik te kunnen maken van de zogenoemde FPU-regeling doen daaraan niet af. Het Hof is dus tot de juiste conclusie gekomen dat belanghebbende in de betreffende periode premieplichtig voor de volksverzekeringen was. Het cassatieberoep dient dan ook te worden verworpen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier W.G. Heesakkers-Kamerbeek, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2001.