Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD6056

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
23-11-2001
Zaaknummer
36615
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/21
FED 2001/645
FED 2002/48
WFR 2001/1795, 3
V-N 2001/62.8 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.615

23 november 2001

FA

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 augustus 2000, nr. BK-96/02988, op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de vierde meervoudige Belastingkamer van dat Hof van 17 februari 1999 betreffende het beroep van belanghebbende inzake de hem voor het jaar 1991 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 19.036.

Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 42.507. De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de navorderingsaanslag gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Voorzitter van de vierde meervoudige kamer van het hof heeft die uitspraak bevestigd.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Voorzitter in verzet gekomen.

Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daarop kan geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft de vraag of niet-ontvankelijkverklaring van het - naar in cassatie vaststaat: te laat ingediende - bezwaar achterwege moet blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, ontkennend beantwoord. Tegen laatstbedoeld oordeel richt zich het middel.

3.2. Het Hof heeft, veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van het door belanghebbende gestelde over, kort gezegd, zijn verstandelijk vermogen en psychische toestand, geoordeeld dat zulks het Hof niet tot een ander oordeel leidt. Redengevend hiervoor is blijkens 's Hofs uitspraak dat het Hof uit het door belanghebbende gestelde inzake diens reactie op een niet voor hem bestemde brief van de Belastingdienst afleidt dat belanghebbende wel degelijk, al dan niet met hulp van anderen, adequaat kan reageren op post van de Belastingdienst. Met 'adequaat reageren' bedoelt het Hof kennelijk dat in voorkomend geval tegen een navorderingsaanslag binnen de wettelijke termijn een bezwaarschrift wordt ingediend. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom de omstandigheid dat een, volgens de aan het Hof overgelegde verklaring van de zenuwarts, debiele analfabeet met, naar ter zitting van het Hof nog is aangevoerd, een post-traumatisch stress-syndroom in een bepaald geval met hulp van anderen een aan hem geadresseerde brief die niet voor hem zou zijn bestemd, aan de afzender zou hebben geretourneerd, ook zou meebrengen dat hij op een hem op de juiste wijze toegezonden aanslagbiljet weet te reageren door binnen zes weken na de dagtekening daarvan een bezwaarschrift in te dienen of te doen indienen bij de inspecteur. De hierop in het middel besloten liggende klachten slagen. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1420 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2001.