Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5786

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
16-11-2001
Zaaknummer
36395
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/31 met annotatie van P. KAVELAARS
FED 2001/628
WFR 2001/1748
V-N 2001/62.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.395

16 november 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 juni 2000, nr. 00/118, betreffende na te melden ingehouden bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Inhouding, bezwaar en geding voor het Hof

Van belanghebbende is over de maand november 1999 een bedrag van ƒ 6162,33 ingehouden aan loonbelasting en premie volksverzekeringen. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf van voormeld bedrag, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor S is ingeschreven de vennootschap onder firma A (hierna: de v.o.f.); als vennoten worden genoemd belanghebbende en zijn echtgenote.

Belanghebbende is in hoofdzaak werkzaam voor lokale C-banken. Hij vervangt werknemers van die banken in geval van ziekte of tijdelijke ondercapaciteit, of wordt ingeschakeld wanneer er sprake is van een tijdelijke specifieke vraag in verband met een bepaald project. De acquisitie van zijn werkzaamheden heeft belanghebbendeuitbesteed aan B te Q. Deze groep verzorgt tevens de opleiding, training en bijscholing van belanghebbende en met hem vergelijkbare personen.

Belanghebbende heeft in de hier aan de orde zijnde periode werkzaamheden verricht voor C-bank te R. De C-bank heeft daartoe met de v.o.f. een "project-overeenkomst" gesloten.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of terecht loonbelasting en premie volksverzekeringen van belanghebbende is ingehouden. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende aan toezicht en instructies van de C-bank was onderworpen, zodat sprake is van een gezagsverhouding. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, nu belanghebbende gehouden was gedurende een zekere tijd (in casu enige maanden) de afgesproken werkzaamheden te verrichten, en de C-bank daartegenover de overeengekomen beloning diende te betalen, belanghebbende met de C-bank een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan, zodat hij in het onderhavige tijdvak tijdens het verrichten van die werkzaamheden tot de C-bank in privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) heeft gestaan.

3.3. In het eerste middel wordt betoogd dat het Hof niet in het midden had mogen laten of belanghebbendes activiteiten zijn aan te merken als het drijven van een onderneming. Het middel faalt, aangezien voor de vraag of de beloning voor belanghebbende onderworpen is aan de loonbelasting slechts van belang is of belanghebbende is te beschouwen als werknemer in de zin van artikel 2, lid 1, van de Wet. Daarbij doet niet terzake of belanghebbende voor de inkomstenbelasting al dan niet als ondernemer is aan te merken. Het Hof behoefde derhalve slechts te beoordelen, zoals het heeft gedaan, of belanghebbende in het onderhavige tijdvak in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de C-bank stond.

3.4. Voorzover belanghebbende in het tweede middel betoogt dat het Hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de vaststelling in 2.5 van diens uitspraak dat de landelijke C-bank zich op het standpunt stelt dat "vervangers" als belanghebbende in dienstbetrekking zijn bij de (lokale) C-bank, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft deze vaststelling immers niet in zijn overwegingen omtrent het geschil betrokken.

3.5. In de toelichting op het tweede middel wordt voorts betoogd dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten (mede) de criteria voor de beoordeling of sprake is van een onderneming - met name de mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de opdrachtgever - toe te passen. Dit betoog faalt op grond van het hiervóór in 3.3 overwogene.

3.6. Voor het overige wordt in de toelichting op het tweede middel betoogd dat bij een 'vrije beroeper' als belanghebbende het bestaan van aanwijzingsbevoegdheid bij de wederpartij niet noodzakelijkerwijs betekent dat een dienstbetrekking aanwezig is. Belanghebbende heeft hiermee kennelijk het oog op de mogelijkheid dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Het Hof heeft evenwel zijn oordeel dat sprake is van een dienstbetrekking niet enkel gegrond op zijn oordeel dat de Rabobank bevoegd was tot het geven van aanwijzingen aan belanghebbende omtrent de uitvoering van de werkzaamheden, maar heeft, mede op grond van de overige door hem in aanmerking genomen omstandigheden, geoordeeld

dat sprake is van een voor de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kenmerkende gezagsverhouding. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Dat oordeel sluit uit dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Het tweede middel faalt derhalve in zoverre evenzeer.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2001.