Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5497

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-2001
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
1323
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1323

9 november 2001

JV

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. J.P. van den Berg,

tegen

de Staat der Nederlanden,

zetelende te 's-Gravenhage,

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. Nadat de Arrondissementsrechtbank te Middelburg bij beschikking van 25 mei 1998 op daartoe strekkend verzoek van de Staat op de voet van artikel 54a van de Onteigeningswet een rechter-commissaris en drie deskundigen had benoemd, heeft op 15 en 23 juni 1998 de vervroegde opneming plaatsgevonden van het in het Koninklijk Besluit van 8 juli 1998, nr. 98.003517, Stcrt. 23 juli 1998, 137, ter onteigening aangewezen gedeelte van de onroerende zaak, kadastraal bekend Gemeente Borsele, sectie [...], nummer [...] (welk perceelsgedeelte thans is genummerd [...]), van welk perceel [eiser] als eigenaar is aangewezen.

1.2. Bij exploit van 22 september 1998 heeft de Staat [eiser] doen dagvaarden voor de Rechtbank en ten behoeve van het maken van de Westerscheldetunnel, tunneltoerit en toeleidende weg, gelegen tussen de Frankrijkweg (Sloegebied) en de Zeedijk nabij Ellewoutsdijk, met bijkomende werken, in de gemeente Borsele, ten algemene nutte en te zijnen name gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening van (onder meer) het vermelde perceelsgedeelte, en vaststelling van de schadeloosstelling. Bij vonnis van 24 mei 2000 heeft de Rechtbank die vordering afgewezen, omdat niet was voldaan aan de eis van artikel 17 van de Onteigeningswet.

1.3. Bij exploit van 6 juli 2000 heeft de Staat [eiser] opnieuw doen dagvaarden en gevorderd als onder 1.2 vermeld.

1.4. Bij het thans bestreden vonnis van 10 januari 2001 heeft de Rechtbank, voorzover thans van belang, de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken en de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen opgedragen om de schadeloosstelling voor [eiser] te begroten. Het bestreden vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. [eiser] heeft het vonnis van 10 januari 2001 bestreden met een middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De Staat heeft zich aan het oordeel van de Hoge Raad gerefereerd.

2.3. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 13 juli 2001 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voorzover daarin opdracht is gegeven aan de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen om de schadeloosstelling te begroten, en tot terugwijzing van het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Uit het hiervoor onder 1 vermelde verloop van het geding blijkt dat de het onderhavige geding inleidende dagvaarding van 6 juli 2000 is uitgebracht na het verstrijken van de in artikel 54g van de Onteigeningswet gestelde termijn van twee maanden na de vervroegde plaatsopneming op 15 en 23 juni 1998, dan wel de openbaarmaking van het onder 1.1 vermelde Koninklijk Besluit.

3.2. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 2 april 1997, nr. 1231, NJ 1997, 730, kan na het verstrijken van de in artikel 54g van de Onteigeningswet genoemde termijn weliswaar (opnieuw) een dagvaarding tot vervroegd uit te spreken onteigening worden uitgebracht, maar dient in een dergelijk geval de vóór de aanvang van het geding geschiede plaatsopneming buiten beschouwing te blijven, zodat opnieuw een opneming op de voet van artikel 54j van de Onteigeningswet door een of meer door de Rechtbank te benoemen deskundigen zal moeten plaats hebben. Het middel voert dan ook terecht aan dat de Rechtbank na het verstrijken van de vermelde termijn met toepassing van artikel 54j, lid 1, van de Onteigeningswet opnieuw een rechter-commissaris en deskundigen had moeten benoemen en een opneming door deskundigen had moeten bepalen. Het middel slaagt derhalve.

3.3. Het vonnis van de Rechtbank kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 10 januari 2001, doch uitsluitend voorzover daarin opdracht is gegeven aan de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen om de schadeloosstelling te begroten,

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar de Rechtbank te Middelburg, en

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot aan dit arrest aan de zijde van [eiser] begroot op f 673,93 aan verschotten en f 3500 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en P.J. van Amersfoort, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2001.