Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5483

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
16-11-2001
Zaaknummer
C00/086HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 671
NJ 2002, 71
RvdW 2001, 182
VR 2002, 108
AV&S 2002, p. 24 met annotatie van C.J.M. Klaassen
JWB 2001/315
JAR 2001/260 met annotatie van Mr. dr. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/086HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. A.G. Castermans,

t e g e n

de stichting STICHTING VOLKSHOGESCHOOL "BERGEN", gevestigd te Bergen N-H,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. A.J. Swelheim.

1. Het geding in feitelijke instantie

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 18 november 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - gedagvaard voor de Rechtbank te Alkmaar en gevorderd de Stichting te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de vermogensschade en de immateriële schade die voortvloeit uit het ongeval van 20 februari 1996, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met verwijzing van dat gedeelte van de procedure naar de schadestaatprocedure.

De Stichting heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 2 december 1999 de vordering afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] voorzover het onderdeel 2 betreft en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 20 februari 1996 is [eiseres] gevallen op een fietspad.

(ii) Zij heeft als gevolg van deze val haar linker enkelgewricht gebroken.

(iii) [Eiseres] was ten tijde van het ongeval in dienst bij de Stichting.

(iv) Op 20 februari 1996 was sprake van lichte sneeuwval en lichte vorst.

(v) Via het fietspad kan men het terrein en de gebouwen, bij de Stichting in gebruik, bereiken.

(vi) Het fietspad is een openbare weg, waarvan het beheer berust bij de gemeente Bergen.

(vii) Op het terrein rondom de gebouwen heeft de Stichting op 20 februari 1996 werkzaamheden ter bestrijding van gladheid doen uitvoeren doch niet op het fietspad ter plaatse waar [eiseres] is gevallen.

3.2 [Eiseres] heeft de Stichting gedagvaard voor de Rechtbank te Alkmaar en heeft gevorderd de Stichting te veroordelen tot vergoeding van vermogensschade en immateriële schade, die uit het ongeval op 20 februari 1996 voortvloeit, op te maken bij staat. Zij heeft haar vordering gebaseerd primair op art. 6:181 in verbinding met art. 6:174 BW en subsidiair op art. 7:658 BW.

3.3 De Rechtbank heeft de vordering, gestoeld op de zorgplicht die de werkgever jegens zijn werknemer in acht heeft te nemen, zoals bedoeld in art. 7:658 BW, als het meest verstrekkend het eerst besproken. De grondslag van de vordering is, aldus de Rechtbank, betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst en behoort tot de kennisneming van de kantonrechter; nu echter de Stichting de exceptie van onbevoegdheid niet heeft voorgesteld, heeft zij de beoordeling aan zich gehouden en over deze vordering in hoogste ressort uitspraak gedaan.

De Rechtbank heeft in rov. 5.3 overwogen dat ontstaansvereisten voor aansprakelijkheid krachtens art. 7:658 BW zijn dat de schade is opgekomen binnen het werkmilieu van de werknemer en in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Vervolgens heeft de Rechtbank in rov. 5.4 als volgt geoordeeld.

"Vast staat dat [eiseres] is gevallen op weg naar haar werk, op de openbare weg. Woon-werkverkeer behoort, behoudens uitzondering, niet tot de verrichtingen in dienstverband. Het ongeval vond derhalve plaats buiten het werkmilieu en niet in de uitoefening van werkzaamheden. Zelfs een ruime uitleg van beide vereisten - werkmilieu en werkverband -, kan niet tot een andere conclusie leiden. De Stichting is daarom als werkgever niet aansprakelijk voor het ongeval dat [eiseres] op haar woon-werktraject is overkomen."

De Rechtbank heeft voorts de vraag besproken of de Stichting uit hoofde van art. 6:162 BW jegens [eiseres] aansprakelijk is en geoordeeld dat de Stichting evenmin jegens [eiseres] aansprakelijk is op grond van dit artikel.

3.4 Onderdeel 1 strekt in de eerste plaats ten betoge dat de Rechtbank in rov. 5.4 heeft miskend dat "maatstaf is of de werkgever zeggenschap heeft over de lokatie en/of een aanwijzingsbevoegdheid met betrekking tot het handelen van de werknemer". De omstandigheid dat een ongeval op de openbare weg plaatsvindt en/of op weg naar het werk is, aldus dit onderdeel, niet doorslaggevend voor de vraag of de lokatie van het ongeval kan worden gerekend tot de lokalen in de zin van artikel 7:658 lid 1 BW dan wel of het ongeval plaatsvond in de uitoefening van de werkzaamheden.

3.5 In haar hiervoor onder 3.3 weergegeven rov. 5.4 heeft de Rechtbank, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat het ongeval heeft plaatsgevonden terwijl [eiseres] zich naar haar werk begaf, buiten haar werkmilieu en niet in de uitoefening van haar werkzaamheden. De Rechtbank heeft, daarvan uitgaande, met juistheid geoordeeld dat de Stichting niet als werkgever, dat wil zeggen: niet op de voet van art. 7:658 lid 1 BW, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [eiseres] op haar woon-werktraject is overkomen. Het onderdeel faalt in zoverre.

3.6 Hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen brengt mee dat ook de in onderdeel 1 vervatte motiveringsklacht faalt.

3.7 Onderdeel 3 klaagt dat de Rechtbank in haar rov. 5.2 dan wel in rov. 5.5 heeft miskend dat zij niet op de voet van art. 157 Rv. in hoogste feitelijke instantie recht deed voor zover de vordering is gebaseerd op art. 6:162 BW. De Rechtbank heeft echter niet ervan blijk gegeven dat zij daarvan is uitgegaan. Het onderdeel kan dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.8 Onderdeel 2 is gericht tegen de rov. 5.6 en 5.7 van de Rechtbank waar zij oordeelt dat de Stichting jegens [eiseres] niet heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en dat de Stichting derhalve niet op grond van art. 6:162 jegens [eiseres] aansprakelijk is. Aldus oordelende heeft de Rechtbank niet in hoogste feitelijke instantie recht gedaan, zodat tegen deze beslissing hoger beroep open stond. [eiseres] kan derhalve in zoverre niet in haar cassatieberoep worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar beroep voor zover dit is gericht tegen de rov. 5.6 en 5.7 van het vonnis van de Rechtbank;

verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 16 november 2001.