Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5385

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2001
Datum publicatie
11-12-2001
Zaaknummer
03540/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5385
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 746
NJ 2002, 47
O&A 2002, p. 30 (nr.2)
NBSTRAF 2002/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 december 2001

Strafkamer

nr. 03540/00

AS/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 maart 2000, nummer 20/001514-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats] (Duitsland).

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 4 mei 1999 - de verdachte ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 2. "medeplegen van: van het plegen van opzetheling een gewoonte maken" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.J. Tieman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de

Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het derde middel komt op tegen 's Hofs verwerping van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het

Openbaar Ministerie in zijn vervolging op de grond dat is nagelaten de verdachte aan te houden toen dat geredelijk kon als gevolg waarvan de zaak een onnodig grote omvang heeft kunnen nemen.

3.2. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wegens - een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde opleverend - onrechtmatig optreden van de met opsporing en/of vervolging belaste ambtenaren slechts dan kan volgen indien daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

3.3. Niet als juist kan worden aanvaard de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het openbaar

ministerie in zijn vervolging eveneens niet-ontvankelijk is indien de politie en/of justitie niet tijdig heeft ingegrepen als gevolg waarvan de schade ten gevolge van de door de verdachte (en zijn mededaders) begane feiten "enorm is opgelopen". Die schade is immers niet door de gestelde nalatigheid van de politie en/of justitie veroorzaakt, maar door het onrechtmatig handelen van de verdachte (en zijn mededaders).

3.4. De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 11 december 2001.