Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5376

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
29-07-2002
Zaaknummer
03445/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5376
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2001

Strafkamer

nr. 03445/00

AS/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 mei 2000, nummer 20/002479-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de kwalificatie, de bewijsvoering en de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 augustus 1999, waarbij de verdachte tot straffen is veroordeeld. Het Hof heeft de verdachte ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van zestig uren in plaats van één maand gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

1.2. Het verkorte arrest alsmede de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Bladel, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft "ARAG Rechtsbijstand" een door mr. P.R.Th. Schulting ondertekend geschrift ingediend. Daarop kan de Hoge Raad geen acht slaan nu niet blijkt dat het geschrift overeenkomstig het bepaalde in art. 452, eerste lid (oud), Sv, is ingediend door een advocaat, dan wel door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. De middelen richten zich tegen de motivering van de bewezenverklaring.

3.2. Het gaat in deze zaak, voorzover voor de bespreking van de middelen van belang, om het volgende. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - kort gezegd - dat hij tezamen met een ander geld heeft weggenomen uit een geldautomaat van een bank, waarbij hij dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel. Het gebruik van die sleutel betrof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen het gebruik van een gestolen bankpasje.

De desbetreffende geldopnames zijn door de bank op video vastgelegd. De videobanden zijn getoond aan twee getuigen, die enige tijd later door middel van een spiegelconfrontatie met de verdachte zijn geconfronteerd en vervolgens hebben verklaard hem voor 80 à 90 procent, onderscheidenlijk van 90 à 95 procent te herkennen als dezelfde man die zij op de videobanden hebben gezien. Het proces-verbaal van politie waarin die verklaringen zijn vervat is door het Hof tot het bewijs gebezigd.

3.3. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder het hoofd "de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" een in hoger beroep namens de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd - kort samengevat - dat nu de videobanden waarop de geldopname met behulp van het gestolen bankpasje van [slachtoffer] was vastgelegd, niet meer beschikbaar zijn, deze niet tot bewijs kunnen dienen en dientengevolge de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] evenmin tot bewijs kunnen dienen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Ter terechtzitting is komen vast te staan dat voormelde videobanden niet meer beschikbaar zijn. De stelling van de raadsman dat dit met zich brengt dat dientengevolge ook de getuigenverklaringen, inhoudende onder meer hetgeen zijn op die beelden hebben waargenomen, niet tot bewijs kunnen dienen, vindt geen steun in het recht."

3.4. Het oordeel van het Hof dat de enkele omstandigheid dat de van de geldopname vervaardigde videobanden niet meer beschikbaar zijn, niet meebrengt dat de in het middel bedoelde verklaringen niet tot het bewijs zouden mogen worden gebezigd is juist. De tegen dat oordeel gerichte klacht faalt dus.

Ook de overige in de middelen vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

3.5. De middelen zijn dus tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 18 december 2001.