Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5330

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-2001
Datum publicatie
09-11-2001
Zaaknummer
36331
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/39 met annotatie van R.E.C.M. Niessen
FED 2001/617
FED 2002/8
WFR 2001/1707
V-N 2001/60.15 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.331

9 november 2001

FA

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 juni 2000, nr. P99/2377, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 72.390, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 67.486. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen van de Staatssecretaris en het middel van belanghebbende

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende, geboren in 1905, woont sinds 1 juni 1987 in een verzorgingshuis. De financiering van het verzorgingshuis valt onder de Algemene wet bijzondere ziektekosten (hierna: de AWBZ). In 1997 heeft belanghebbende ter zake van haar verblijf in het verzorgingshuis een eigen bijdrage ingevolge de AWBZ betaald van f 29.412.

3.2. Voor het Hof was in geschil of - en zo ja, in welke mate - dat bedrag moet worden gerangschikt onder de, als buitengewone lasten in aanmerking te nemen, uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 46, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof heeft geoordeeld dat van de door partijen verschafte cijfermatige gegevens het referentiebudget voor eenpersoonshuishoudens uit het NIBUD-Budgethandboek 1999 het best mogelijke aanknopingspunt biedt voor de benadering van de in het onderhavige jaar door belanghebbende feitelijk gerealiseerde besparing op kosten van huisvesting en voeding ten opzichte van de situatie dat zij nog gezond zou zijn en een eigen huishouding zou voeren. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat - mede als gevolg van het tijdsverloop sedert de opname in het verzorgingshuis - niet over voldoende concrete gegevens omtrent de subjectieve besparing kan worden beschikt.

3.3. In het eerste middel van de Staatssecretaris wordt betoogd dat met het eerstvermelde oordeel onvoldoende recht wordt gedaan aan de subjectieve weg waarlangs deze besparing dient te worden bepaald.

3.4. Indien mede als gevolg van het tijdsverloop sedert de opname in een verzorgingshuis onvoldoende concrete gegevens omtrent de subjectieve besparing op de kosten van huisvesting en voeding voorhanden zijn, kan de omvang van die besparing worden bepaald door deze, zoals het Hof hier heeft gedaan, in redelijkheid te schatten aan de hand van algemeen bekende gegevens met betrekking tot personen die niet in een verzorgingshuis zijn opgenomen, maar overigens in dezelfde omstandigheden en in dezelfde inkomens- en vermogenspositie verkeren als belanghebbende. Het eerste middel van de Staatssecretaris, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.

3.5. Het Hof heeft overwogen dat het, aangezien de financiering ingevolge de AWBZ slechts betrekking heeft op de kosten van geneeskundige behandeling en verzorging waaronder begrepen huisvesting en primaire voeding, niet voor de hand ligt om bij de door het Hof gekozen indirecte benadering van de aftrekbare ziektekosten nog rekening te houden met de besparing op overige kosten.

3.6. Tegen dit oordeel richt zich het tweede middel van de Staatssecretaris met het betoog dat het Hof voorbijgaat aan de realiteit dat door inrichtingen naast huisvesting en voeding ook andere verstrekkingen worden gedaan zonder dat daarvoor een afzonderlijke vergoeding wordt betaald.

3.7. Dit middel faalt, reeds omdat uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat de Inspecteur voor het Hof heeft aangevoerd dat het verzorgingshuis aan belanghebbende in 1997 naast huisvesting en voeding dergelijke andere verstrekkingen heeft gedaan en de beoordeling van de juistheid van die stelling een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor de cassatieprocedure geen mogelijkheid biedt.

3.8. Aan de hand van het voormelde referentiebudget voor eenpersoonshuishoudens is het Hof overgegaan tot het berekenen van de besparing. Daarbij is het Hof terecht uitgegaan van het besteedbare inkomen van het onderhavige jaar (1997). Voorzover het middel van belanghebbende een andere opvatting voorstaat, faalt het derhalve. Het Hof heeft echter ten onrechte geen acht geslagen op de door belanghebbende in haar beroepschrift voor het Hof alsmede in de pleitnota genoemde omstandigheid dat zij in 1997 aan het verzorgingshuis een bijdrage voor voeding heeft betaald van ƒ 256,68. In zoverre is het midddel van belanghebbende gegrond. Voorts heeft het Hof verzuimd te motiveren waarom de in het referentiebudget opgenomen bedragen voor verzekeringen en inventaris voor de helft moeten worden meegenomen bij de berekening van de besparing. De tegen dit oordeel zowel door belanghebbende als door de Staatssecretaris (derde middel) gerichte motiveringsklachten zijn gegrond.

3.9. De overige onderdelen van het middel van belanghebbende kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu deze onderdelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.10. Gelet op het in 3.8 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de beroepen gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1420 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, L. Monné, P.J. van Amersfoort en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2001.