Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5300

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-2001
Datum publicatie
12-11-2001
Zaaknummer
R01/017HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5300
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 426a
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 648
JWB 2001/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 november 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/017HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson,

t e g e n

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 25 februari 1999 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de uitspraak van de Rechtbank 's-Gravenhage van 25 juni 1984 te wijzigen en te bepalen dat de man geen bijdrage meer is verschuldigd met ingang van 1 juli 1999.

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 9 mei 2000

- de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2000 bepaald op ƒ 1.340,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2001 bepaald op ƒ 670,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 september 2002 beëindigd.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft bij verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 13 december 2000 heeft het Hof de bestreden beschikking vernietigd voorzover aan zijn oordeel onderworpen en opnieuw beschikkende:

-- met dienovereenkomstige wijziging van het vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 25 juni 1984 - de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 september 2000 bepaald op ƒ 1.750,-- per maand en met ingang van 1 september 2001 op ƒ 1.500,-- per maand;

- bepaald dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw doorloopt tot 1 september 2006 en dat na ommekomst van die termijn verlenging mogelijk is.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Hof 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar het Hof Am-sterdam.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De partijen zijn in 1961 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk, dat 23 jaar heeft geduurd, zijn kinderen geboren. Bij het echtscheidingsvonnis van 25 juni 1984 is de vrouw ten laste van de man een alimentatie van ƒ 1.500,-- per maand toegekend, die in 2000 ten gevolge van indexering ƒ 2.011,05 per maand bedroeg. De man heeft tot 1999 ruim 15 jaar alimentatie betaald.

De man is alleenstaand. Zijn inkomen over het jaar 1999 bedroeg ƒ 90.599,-- bruto, zijn premie ziektekostenverzekering ƒ 248,-- per maand en zijn huur ƒ 1500,-- per maand. De vrouw, die is geboren op 8 augustus 1936, had in 2000 een IOAW-uitkering van ƒ 1.257,-- bruto per maand. Zij is aangesloten bij een ziekenfonds en betaalt ƒ 627,-- per maand aan huur.

De partijen zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd geweest. De echtscheiding heeft plaatsgevonden voordat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding was ingevoerd, zodat de vrouw geen aanspraak kan maken op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen. De vrouw heeft naast haar uitkering, met ingang van 8 augustus 2001 een AOW-uitkering, geen ander inkomen als haar alimentatie vervalt.

3.2 Het verzoek van de man strekt tot beëindiging van zijn alimentatieverplichting op grond van de Wet limitering alimentatie na scheiding. De Rechtbank heeft dat verzoek toegewezen, het Hof heeft het afgewezen, beide zoals nader vermeld onder 1.

3.3 Het eerste onderdeel van het middel klaagt over rov.1 van de bestreden beschikking, waarin het Hof overweegt dat het rekening houdt met de eerder in de beschikking genoemde vaststaande feiten en deze laat meewegen, "voor zover daarvan hierna niet wordt afgeweken." Volgens het onderdeel stond het het Hof niet vrij van de vaststaande feiten af te wijken en had het Hof in ieder geval moeten aangeven op welke punten het daarvan is afgeweken. Het onderdeel voldoet niet aan de eisen van art. 426 lid 2 Rv., nu het niet stelt dat en evenmin waar het Hof van de vaststaande feiten zou zijn afgeweken. Dat blijkt ook niet zonder meer uit de beschikking van het Hof. Het onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

3.4 Onderdeel 2 verwijt het Hof de in artikel II lid 2 WLA voorgeschreven maatstaf te hebben miskend, nu het, na overwogen te hebben dat de man op grond van de overgangs-regels van die wet in beginsel recht heeft op beëindiging van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, heeft geoordeeld: "Getoetst moet evenwel worden of de beëindiging van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw kan worden gevergd", zonder acht te slaan op de vraag of die beëindiging ingrijpend is. In zoverre berust het onderdeel op verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het Hof heeft immers blijkens rov. 7 en 8 van de beschikking die vraag wel onderzocht. Ook de klacht dat het Hof bedoelde maatstaf verkeerd heeft toegepast doordat het het netto-inkomen van de vrouw niet heeft vastgesteld, faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu in rov 6 een netto-inkomen van ƒ 2.295,-- per maand wordt vermeld. Anders dan het onderdeel tenslotte betoogt, behoefde die vaststelling ook geen nadere motivering. Het onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

3.5 Onderdeel 3 bestrijdt met motiveringsklachten rov 7, waarin het Hof overweegt:

"De gevolgen van beëindiging van de alimentatie zijn dus voor haar ingrijpend. Dit is niet anders in het licht van het verzwijgen door de vrouw van haar uitkering, omdat die uitkering niet zo hoog is dat, als de man die had gekend, mag worden aangenomen dat de rechter op grond daarvan de alimentatie zou hebben verminderd."

3.6 Bij de beoordeling van dit onderdeel moet ervan worden uitgegaan dat de vrouw vóór de onderhavige procedure tegenover de man had verzwegen dat zij een IOAW-uitkering van ƒ 1.257,-- bruto per maand had en dat de man daarvan ook niet op andere wijze op de hoogte was. Uitgangspunt is derhalve ook dat de man niet op grond van dit inkomen van de vrouw een verzoek tot wijziging van de door hem verschuldigde onderhoudsbijdrage heeft kunnen indienen. Indien de man dat wel had kunnen doen en dit verzoek zou hebben geleid tot een verlaging van de door hem verschuldigde onderhoudsbijdrage, had zulks eerder dan thans het geval is tot het oordeel kunnen leiden dat de inkomensachteruitgang voor de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet te ingrijpend is. Nu de omstandigheid dat de man voormeld verzoek niet heeft kunnen indienen, in dit geding voor rekening van de vrouw dient te komen, behoefde 's Hofs oordeel, gelet enerzijds op de onderlinge verhouding tussen de hoogte van het verzwegen inkomen en de alimentatie en anderzijds op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid waarnaar de rechter een verzoek als het onderhavige dient te beoordelen, nadere motivering. Dit onderdeel treft doel.

3.7 De gegrondbevinding van onderdeel 3 brengt mee dat onderdeel 4 geen behandeling behoeft.

3.8 Onderdeel 5 voldoet niet aan de eisen van art. 426a Rv. en kan om die reden niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing:

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 december 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 november 2001.