Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5211

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
19-12-2001
Zaaknummer
03533/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5211
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 784
NJ 2002, 300
NBSTRAF 2002/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2001

Strafkamer

nr. 03533/00

IV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 mei 2000, nummer 20/001257-99, in de strafzaak tegen in:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Boschpoort" te Breda.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 april 1999 - de verdachte ter zake van 1. en 2. "ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.

1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt erover, zakelijk weergegeven, dat het Hof in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is gesteld zoals weergegeven in de toelichting op het middel, blijk had moeten geven van een onderzoek met betrekking tot de vraag of voor wat betreft de feiten, opgenomen in het onder 2 tenlastegelegde, die buiten Nederland zouden zijn begaan, de Nederlandse strafwet in dit geval toepassing mist, omdat die feiten in die andere staten weliswaar strafbaar zijn gesteld, doch naar het recht van die staten verjaard waren.

3.2. Art. 5, eerste lid aanhef en onder 2° Sr luidt:

"De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld."

3.3. Het Hof heeft in zijn arrest onder het hoofd

"De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging" overwogen dat de onder 2 tenlastegelegde feiten, die naar Nederlands recht misdrijven opleveren, voorzover in andere landen dan Nederland begaan, in die landen strafbaar zijn gesteld.

3.4. In het midden kan blijven of de in het middel geciteerde passage uit hetgeen de raadsman ter terechtzitting van het Hof van 27 april 2000 heeft aangevoerd, kan worden opgevat als een verweer zoals in het middel bedoeld. Immers, de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat de onder 3.2 genoemde bepaling meebrengt dat het Hof had dienen te onderzoeken of de desbetreffende feiten naar het recht van de staat waar zij zijn begaan verjaard waren, is onjuist. Noch de tekst noch de strekking van die bepaling - een toepassing van het actief nationaliteitsbeginsel - geeft steun aan de opvatting dat voor de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet op een Nederlander in een geval als in die bepaling bedoeld, niet alleen van belang is dat op de desbetreffende feiten naar het recht van de staat waar zij zijn begaan straf is gesteld, doch ook dat zich niet de omstandigheid voordoet dat een naar het recht van die staat ingetreden verjaring aan een eventuele vervolging aldaar in de weg zou staan.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 15 mei 2000 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 4 september 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze vijf jaar en acht maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 18 december 2001.