Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5194

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2001
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
03046/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5194
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 167
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2001

Strafkamer

nr. 03046/00

MA/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 maart 2000, nummer 20/001470-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats] (thans wonende te 's-Gravenhage).

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Breda van 4 februari 1999 - de verdachte ter zake van "wederspannigheid" veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het primaire onderdeel van het vierde middel klaagt dat "de OvJ niet ontvankelijk is in de procedure omdat deze volgens de richtlijn had moeten kiezen voor een transactie, alvorens een dagvaarding uit te brengen."

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, voorzover hier van belang, aangevoerd:

"In deze zaak had mijn inziens eigenlijk een transactie aangeboden dienen te worden."

Voorts houdt een aan dat proces-verbaal gehecht schriftelijk stuk dat blijkens dat proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte is voorgelezen in:

"Strafmaat:

Bij wederspannigheid is een strafmaat gesteld van een boete van 500,-. De 14 dagen hechtenis zijn dan ook buitenproportioneel. Zie o.a. Bijlage 19 Rtl transactiebeleid misdrijven (...). De 500 is dan ook de maximale transactie, terwijl hier geen sprake is van letsel."

3.3. Het primaire onderdeel van het vierde middel berust, in navolging van hetgeen door de verdachte dienaangaande in hoger beroep is aangevoerd - hiervoor onder 3.2 weergegeven - kennelijk op de opvatting dat "de richtlijn" (waarmee klaarblijkelijk zijn bedoeld de hier toepasselijke "Uitgangspunten transactiebeleid misdrijven" van de

procureurs-generaal bij de gerechtshoven van 23 juni 1987, Stcrt. 1987, 117) de officier van justitie verplicht om in bepaalde gevallen - waaronder volgens de verdachte kennelijk het onderhavige - een transactie aan te bieden. Een zodanige verplichting houden die Uitgangspunten evenwel niet in.

In die uitgangspunten is immers opgenomen:

"6. Uitdrukkelijk zij vermeld dat het hier gaat om uitgangspunten waarvan in een concreet geval kan worden afgeweken. Zo kan de officier van justitie (...) het aanbod van een transactie achterwege laten of besluiten bij de bepaling van de transactievoorwaarden binnen de door de wet gestelde grenzen een van de uitgangspunten afwijkende beslissing nemen."

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 4 december 2001.