Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5155

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2001
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
01510/01 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5155
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2001

Strafkamer

nr. 01510/01 U

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 19 juni 2001, nummer 15/700015-01, op een verzoek van het Koninkrijk België tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedatum] 1973, zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Haarlem.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft toelaatbaar verklaard de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Koninkrijk België ter verdere tenuitvoerlegging van het restant van de hem bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, parketnummer 324 P 99, van 21 december 2000 opgelegde vrijheidsstraf en ter tenuitvoerlegging van het restant van de hem bij het verstekvonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 26 februari 2001 opgelegde vrijheidsstraf dan wel - indien door of namens hem tegen dat vonnis tijdig een rechtsmiddel wordt aangewend - ter strafvervolging ter zake van het feit vermeld in het strafvonnis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schrif-tuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de opgeëiste persoon niet in de gelegenheid is geweest adequaat zijn verdediging te voeren tijdens de procedure voor het Hof van Beroep in Antwerpen.

3.2. De Rechtbank heeft het in het middel bedoelde ver-weer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft betoogd dat de uitlevering voor de feiten vermeld in het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat - zo begrijpt de rechtbank de raadsman - de opgeëiste persoon niet in staat is geweest in hoger beroep zijn verdediging adequaat te voeren. Weliswaar is voor de opgeëiste persoon een raadsman als gemachtigde opgetreden, maar deze raadsman is niet door de opgeëiste persoon, maar door het Hof van Beroep gemachtigd hem te vertegenwoordigen. Dat is - zo stelt de raadsman - in aanmerking genomen de eisen die het Europees verdrag betreffende de uitlevering en het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken stellen aan de mogelijkheid voor een opgeëiste persoon zich adequaat te kunnen verdedigen, in strijd met een behoorlijke procesorde.

De rechtbank overweegt dat met betrekking tot de hier bedoelde feiten de opgeëiste persoon - zoals hij ook bij zijn verhoor door de rechtbank op 15 mei 2001 heeft verklaard - in eerste aanleg door de rechtbank in zijn tegenwoordigheid is berecht, zodat hij alstoen in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren.

Voorts is de opgeëiste persoon, nadat hij zelf een rechtsmiddel tegen het vonnis in eerste aanleg had aangewend, in hoger beroep vertegenwoordigd door een advocaat, welke vertegenwoordiging door het Hof van Beroep te Antwerpen is aangemerkt als een berechting op tegenspraak. Over de juistheid van die opvatting van het Hof van Beroep te Antwerpen (die overigens van de Nederlandse rechter een hem niet toekomende beoordeling van het Belgische recht zou vragen) komt de uitleveringsrechter - mede gelet op het aan het uitleveringsrecht ten grondslag liggende vertrouwensbeginsel - geen oordeel toe.

Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat het de opgeëiste persoon in eerste aanleg en in hoger beroep aan mogelijkheden heeft ontbroken zich tegen de hem verweten feiten te verdedigen, zodat hetgeen de raadsman heeft gesteld, niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg zal kunnen staan."

3.3. In de hiervoor weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van de Rechtbank besloten dat de opgeëiste persoon zich bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep door het Hof van Beroep te Antwerpen heeft laten vertegenwoordigen door een door hem daartoe aangewezen advocaat en dat het Hof van Beroep de vertegenwoordiging door een raadsman heeft toegestaan. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het zich bij de stukken bevindende arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen inhoudt (a) dat het is gewezen in de zaak tegen "beklaagde - vertegenwoordigd door Mr. C. Slabbaert, Advocaat bij de balie te Antwerpen, door het Hof hiertoe gemachtigd", (b) dat het hoger beroep is ingesteld

behalve door het Openbaar Ministerie en de opgeëiste per-soon door "de raadsman van de beklaagde", en (c) dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is "gehoord de beklaagde in zijn middelen van verdediging, ontwikkeld door Mr. C. Slabbaert (...) door het Hof gemachtigd om voornoemde beklaagde te vertegenwoordigen". Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank zonder schending van enig te dezen toepasselijk voorschrift het gevoerde verweer verworpen op gronden die de verwerping kunnen dragen.

3.4. Het middel, dat uitgaat van een andere lezing van de overwegingen van de Rechtbank, kan dus niet tot cassatie leiden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden ver-nietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 4 december 2001.