Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5149

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
01380/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5149
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 416, geldigheid: 2001-10-30
Wetboek van Strafrecht 417bis, geldigheid: 2001-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 13
NBSTRAF 2002/13
NJ 2002, 128

Uitspraak

30 oktober 2001

Strafkamer

nr. 01380/99

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 november 1998, nummer 22/000817-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, ten tijde van de bestreden uitspraak uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noordsingel" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissements- rechtbank te Dordrecht van 9 maart 1998, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1 primair "opzetheling" en 3. "diefstal" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. De Hoge Raad verstaat het middel aldus dat het erover bedoelt te klagen dat de verdachte ten onrechte voor wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde ter zake van opzetheling is veroordeeld nu hij de desbetreffende auto zelf heeft gestolen.

3.2. Weliswaar valt in de bewoordingen van art. 416, eerste lid, Sr niet te lezen dat degene die opzettelijk een door misdrijf verkregen voorwerp verwerft of voorhanden heeft dan wel een andere in die bepaling genoemde gedraging verricht, slechts dan als schuldig aan heling kan worden gestraft indien het misdrijf waardoor het voorwerp is verkregen door een ander is gepleegd, doch krachtens het begrip van heling - een begunstigingsmisdrijf - moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling als genoemd in gemeld wetsartikel begaat ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf door enig misdrijf heeft verkregen, aan diens veroordeling wegens heling in de weg staat. Indien dit laatste uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk wordt, is een veroordeling ter zake van heling uitgesloten.

3.3.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij:

"op 26 juli 1997 te Alblasserdam, een personenauto (VW Golf, kleur wit) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen personenauto betrof."

3.3.2. Het Hof heeft tot het bewijs gebezigd de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover inhoudende:

"op de vraag van de voorzitter met betrekking tot de zaak met parketnummer (...) hoe ik aan de witte Volkswagen Golf kwam, antwoord ik dat ik de auto gestolen heb van degene die hem gestolen heeft."

3.4. Met 's Hofs vaststelling zoals hiervoor onder 3.3.2

weergegeven, inhoudende dat de verdachte de auto van de oorspronkelijke dief heeft gestolen, is gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, een veroordeling ter zake van art. 416, eerste lid, Sr onverenigbaar.

3.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof het ter terechtzitting gedane aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte niet uitdrukkelijk heeft afgewezen.

4.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de op die terechtzitting verschenen verdachte aldaar verklaard dat de verdachte, indien hij wordt veroordeeld tot gevangenisstraf, in aanmerking wenst te komen voor het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, hetgeen bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een aanbod onbetaalde arbeid te verrichten.

4.2.2. Het Hof heeft de oplegging van de straf als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandig- heden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en opzetheling. Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte reeds diverse malen voor onder meer diefstal veroordeeld. Daaruit heeft verdachte klaarblijkelijk geen lering getrokken. Voorts was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten nog een proeftijd van een eerdere veroordeling lopende.

Het hof is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is."

4.3. Weliswaar behelzen deze overwegingen overeenkomstig het bepaalde in art. 359, zesde lid, Sv de motivering van 's Hofs keuze voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, doch zij bevatten, in strijd met art. 359, achtste lid, (oud) Sv, niet de redenen waarom in plaats van die gevangenisstraf het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte niet voor toepassing in aanmerking komt en het aanbod daartoe behoort te worden afgewezen.

4.4. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

5. Beoordeling van het tweede middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase is overschreden.

5.2. De verdachte heeft op 2 december 1998 beroep in cassatie ingesteld. Deze zaak is ter terechtzitting van

de Hoge Raad van 4 september 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld.

De gegrondheid van het middel leidt tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan wanneer geen sprake zou zijn geweest van overschrijding van die termijn. Het Gerechtshof dat de zaak, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal hebben te berechten en af te doen, zal deze overschrijding in zijn beoordeling dienen te betrekken.

6. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 30 oktober 2001.