Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD5128

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
01810/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD5128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 136e
Wetboek van Strafvordering 269
Wetboek van Strafvordering 290
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 661
NJ 2002, 186 met annotatie van Y. Buruma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 november 2001

Strafkamer

nr. 01810/99

ACH/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 april 1999, nummer 23/003042-97, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 8 oktober 1997 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair (eerste deel) tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

1.2. Het verkorte arrest, en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder primair (eerste deel) tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

3. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

4.1. De stukken van het geding houden het volgende in:

(i) Bij fax van 11 februari 1998 aan de Procureur-Generaal heeft de raadsvrouw van de verdachte onder meer verzocht als getuige op te roepen de persoon die door de politie is gehoord onder de naam "[betrokkene A]". De raadsvrouw heeft dit verzoek als volgt toegelicht:

"[Betrokkene A] is de enige getuige die spreekt over een jongen die een glas heeft gepakt, dit heeft stukgeslagen en dit in het gezicht heeft gedrukt van een op de grond liggende jongen. Hij zegt in de verklaring die in concept door de verbalisant is opgenomen dat hij de jongen die met het glas stak bij weerzien zou kunnen herkennen en wijst de glazen aan waarmee gestoken zou zijn (...)."

De Procureur-Generaal heeft geweigerd [betrokkene A] als getuige op te roepen. Ter terechtzitting in hoger beroep van

19 februari 1998 heeft de raadsvrouw van de verdachte het verzoek tot het als getuige oproepen van [betrokkene A] aangehouden totdat een onderzoek naar de nadere personalia en/of adresgegevens van die persoon iets zou hebben opgeleverd.

De verdachte heeft als zijn bezwaar tegen het vonnis van de Rechtbank opgegeven dat hij ten onrechte is veroordeeld voor het steken met een glas.

(ii) Ter terechtzitting van het Hof van 17 september 1998 heeft de Procureur-Generaal blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting medegedeeld:

"Mij hebben brieven bereikt van een advocaat die optreedt voor [betrokkene A]. Ik leg deze brieven aan het hof en de verdediging over. Getuige [betrokkene A] is een vermogend man en wil om privé redenen niet ter terechtzitting verschijnen. Ook al geniet deze man daarmee niet op voorhand anonimiteit, de personalia en adresgegevens van deze persoon ontbreken, zodat oproeping onmogelijk is (...)."

(iii) De raadsvrouw van de verdachte heeft blijkens dat proces-verbaal van de terechtzitting het volgende verklaard:

"Natuurlijk hebben wij getuige [betrokkene A] liever op de zitting. Aan de zijde van de verdediging is gedacht aan beperkte anonimiteit, in die zin dat er een mogelijkheid dient te bestaan om de identiteit van de getuige deels te verhullen. Als u mij vraagt hoe het te realiseren zou zijn dat getuige [betrokkene A] op de zitting verschijnt, dan verzoek ik het hof om medewerking hieraan te verlenen, in die zin dat aan de raadsvrouw van [betrokkene A] medewerking wordt gevraagd om met toestemming van [betrokkene A] zijn gegevens aan het hof te verstrekken.(...)."

(iv) De Voorzitter van het Hof heeft na beraad als beslissing van het Hof medegedeeld:

"Het Hof zal onderzoeken of een verhoor van de getuige "[betrokkene A]" kan worden verwezenlijkt. Het gaat hier immers om een persoon van wie bekend is dat hij getuige is geweest van een gebeurtenis waaromtrent zijn verklaring van wezenlijk belang is. Blijkens de door de procureur-generaal overgelegde brieven d.d. 13 juli 1998 en 24 augustus 1998 heeft deze persoon zich tot mr. Goudswaard gewend en heeft mr. Goudswaard doen weten dat de getuige bereid is als zodanig te verschijnen, indien hem de garantie van "volstrekte anonimiteit" wordt geboden. Zodanige anonimiteit kan niet op voorhand worden verleend. Het hof zal moeten vaststellen of en, zo ja, in welke mate of op welke wijze de identiteit van de getuige verborgen kan worden gehouden. Daartoe is het noodzakelijk dat de betrokkene door het hof wordt gehoord. Het hof zal daarom aan mr. Goudswaard berichten dat het hof op een in overleg met mr. Goudswaard te bepalen dag en uur in een terechtzitting met gesloten deuren - buiten aanwezigheid van de procureur-generaal en de verdachte en zijn raadsvrouw - de noodzaak van enige vorm van anonimiteit van de getuige zal onderzoeken (...)."

(v) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 26 november 1998 houdt in dat de getuige [betrokkene A] achter gesloten deuren - zulks in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de getuige - en buiten aanwezigheid van de Procureur-Generaal en van de verdachte en diens raadsvrouw uitsluitend is gehoord omtrent de noodzaak van anonimiteit van de getuige. Het proces-verbaal houdt voorts als beslissing van het Hof in dat het Hof de opgegeven redenen waarom de getuige zijn identiteit verborgen wenst te houden, genoegzaam klemmend oordeelt en dat de getuige [betrokkene A] ter terechtzitting zal dienen te worden gehoord onder het treffen van beschermende maatregelen ter terechtzitting, waarbij de anonimiteit van de getuige zal worden gewaarborgd. Voorts vermeldt het proces-verbaal dat dergelijke maatregelen ook dienen te worden getroffen bij gelegenheid van een eventuele Oslo-confrontatie.

(vi) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 7 december 1998 houdt in dat de Voorzitter de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 november 1998 heeft medegedeeld. Het proces-verbaal houdt voorts als beslissing van het Hof in dat de zaak wordt verwezen naar de Rechter-Commissaris teneinde een Oslo-confrontatie met de verdachte te doen plaatsvinden in aanwezigheid van de getuige [betrokkene A] en dat het Hof heeft besloten dat de getuige [betrokkene A] zijn identiteit niet nader bekend hoeft te maken aan de Rechter-Commissaris en de politie. Tevens vermeldt het proces-verbaal dat de getuige via mr. Goudswaard dient te worden opgeroepen tegen de terechtzitting van het Hof van 22 maart 1999.

(vii) Op 3 maart 1999 heeft de Oslo-confrontatie plaatsgevonden; het proces-verbaal daarvan houdt in dat de getuige [betrokkene A] de verdachte daarbij niet heeft herkend.

(viii) Ter terechtzitting van het Hof van 22 maart 1999 is de getuige [betrokkene A] niet verschenen en heeft het Hof, met instemming van de verdachte, diens raadsvrouw en van de Procureur-Generaal afgezien van het horen van deze getuige.

(ix) Het Hof heeft geen enkele verklaring van de getuige [betrokkene A] tot het bewijs gebezigd.

(x) Het horen van de getuige [betrokkene A] omtrent de noodzaak van diens anonimiteit op de wijze zoals hiervoor onder (v) weergegeven, is geschied met instemming van de verdachte en zijn raadsvrouw; ook in cassatie is over de gang van zaken met betrekking tot de terechtzitting van het Hof van 26 november 1998 niet geklaagd.

4.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 17 september 1998 zoals hiervoor onder 4.1 sub (iv) weergegeven, heeft het Hof "de noodzaak van enige vorm van anonimiteit van de getuige" willen onderzoeken, waarmee het Hof kennelijk bedoelde dat het primair wilde nagaan of het verlenen van beperkte anonimiteit als bedoeld in art. 290, eerste lid, Sv geïndiceerd en toereikend was. Het Hof heeft vervolgens ter terechtzitting van 26 november 1998 - buiten aanwezigheid van de Procureur-Generaal en van de verdachte en zijn raadsvrouw - de getuige [betrokkene A] daaromtrent gehoord en beslist dat de getuige aanspraak kon maken op volledige anonimiteit.

Het voorgaande roept de vraag op of het Hof in het kader van genoemd onderzoek [betrokkene A] buiten aanwezigheid van het Openbaar Ministerie en de verdediging mocht horen omtrent het toekennen van anonimiteit en of het Hof kon beslissen dat [betrokkene A] aanspraak kon maken op volledige anonimiteit in het kader van nader onderzoek door de Rechter-Commissaris alsmede voor het geval [betrokkene A] als getuige ter terechtzitting van het Hof zou worden gehoord.

4.3.1. Voor wat betreft de eerste vraag zij vooropgesteld dat hier niet, zoals in HR 4 april 2000, NJ 2000, 633, de regeling met betrekking tot de externe openbaarheid in het geding is. Wel is inbreuk gemaakt op het beginsel van de interne openbaarheid, maar anders dan in HR 20 april 1999, NJ 1999, 677, heeft het Hof [betrokkene A] niet omtrent het tenlastegelegde gehoord.

4.3.2. Art. 290, eerste lid, Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, houdt in dat de zittingsrechter kan bepalen dat het vragen naar een bepaald in dat voorschrift genoemd gegeven (naam, voornamen, geboortedatum, woon- of verblijfplaats, beroep, bloed- of aanverwantschap van de verdachte) achterwege zal worden gelaten indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. Ingevolge die bepaling is dus de zittingsrechter bevoegd terzake een beslissing te geven, maar niet is geregeld op welke wijze deze in het gegeven geval dient te onderzoeken of bepaalde persoonsgegevens niet behoeven te worden vermeld, zonder dat deze daardoor reeds aanstonds aan de overige procesdeelnemers bekend worden. Ook de wetsgeschiedenis geeft daaromtrent geen uitsluitsel. Daarin wordt in dit verband met name aandacht geschonken aan politiefunctionarissen. Dan kan in het algemeen, zonder dat de betrokkene zelf is gehoord, worden vastgesteld of gelet op diens functie - waaromtrent zonodig een meerdere in persoon kan worden gehoord - moet worden volstaan met bepaalde gegevens zoals de functie en het dienstonderdeel van de betrokkene.

Hoewel de wettelijke regeling op dit punt dus vragen oproept, kan, nu de wet niet voorziet in een beperking van de interne openbaarheid voor een onderzoek als hier bedoeld, niet als juist worden aanvaard dat de betrokkene door de zittingsrechter buiten aanwezigheid van het openbaar ministerie en de verdediging omtrent het toekennen van anonimiteit wordt gehoord.

4.3.3. Het voorgaande brengt mee dat in een geval als het onderhavige, waarin niet aanstonds duidelijk is of en in welke mate aan een verzoek om bepaalde persoonsgegevens niet te vermelden kan worden voldaan, de zaak zal moeten worden verwezen naar de rechter-commissaris, zoals dat ook zal dienen te geschieden indien - zoals het Hof hier blijkens zijn beslissing gegeven ter terechtzitting van 17 september 1998 (hiervoor onder 4.1 sub (iv) vermeld) niet heeft uitgesloten - wellicht niet met het verlenen van zogenaamde beperkte anonimiteit kan worden volstaan en onderzocht moet worden of er gronden zijn om aan de getuige volledige anonimiteit toe te kennen; in dat geval gaat het om de status van "bedreigde getuige" in de zin van art. 136c Sv. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet getuigenbescherming (Stb. 1993, 603) houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

"Bestaat (...) twijfel omtrent het antwoord op de vraag of de getuige niet als een bedreigde getuige dient te worden aangemerkt, dan dient (de rechter) de zaak op de voet van artikel 315 Sv terug te wijzen naar de rechter-commissaris. Een zelfstandig oordeel omtrent de gegrondheid van volledige anonimiteit komt de rechter ter terechtzitting immers niet toe." (Kamerstukken II, 1991/1992, 22 483, nr. 3, blz. 38).

4.3.4. Uit het vorenoverwogene volgt dus dat het Hof ook door te oordelen - zoals hiervoor onder 4.1 sub (v) weergegeven - dat het bevoegd was onderzoek te doen naar de vraag of de getuige aanspraak kon maken op volledige anonimiteit en door te beslissen dat de anonimiteit van de getuige diende te worden gewaarborgd, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft immers in strijd met de wet de beslissing omtrent de vraag of de betrokkene als een "bedreigde getuige" moet worden aangemerkt aan zich getrokken (vgl. HR 20 april 1999, NJ 1999, 677).

4.4. Het voorgaande brengt mee dat zowel de wijze waarop [betrokkene A] door het Hof is gehoord omtrent zijn verzoek om anonimiteit als 's Hofs beslissing dat de (volledige) anonimiteit van [betrokkene A] gewaarborgd diende te blijven, in strijd zijn met het recht.

4.5. Evenwel in aanmerking genomen:

- de bezwaren welke de verdachte heeft opgegeven tegen de uitspraak in eerste aanleg en de reden waarom de verdediging prijs stelde op het horen van [betrokkene A];

- de omstandigheid dat [betrokkene A] bij de Oslo-confrontatie de verdachte niet als zodanig heeft herkend;

- dat het Hof niet alleen geen enkele verklaring van de getuige [betrokkene A] tot het bewijs heeft gebezigd, doch de verdachte heeft vrijgesproken van die onderdelen van het tenlastegelegde - kort gezegd het door toedoen van de verdachte ontstaan van (zwaar) lichamelijk letsel bij het slachtoffer - waaromtrent [betrokkene A] tegenover de politie een verklaring had afgelegd welke mogelijk op de verdachte kon slaan. (Het Hof heeft daaromtrent overwogen dat het niet bewezen achtte dat het de verdachte is geweest die de tenlastegelegde steek in het oog van Zieschang heeft toegediend, terwijl naar het oordeel van het Hof evenmin duidelijk is geworden welk lichamelijk letsel de verdachte aan het slachtoffer heeft toegebracht.);

- dat het horen door het Hof van de getuige [betrokkene A] omtrent zijn verzoek om anonimiteit - buiten aanwezigheid van de Procureur-Generaal en van de verdachte en zijn raadsvrouw - heeft plaatsgevonden met instemming van de verdediging;

- en dat in cassatie over bedoelde verzuimen niet is geklaagd, is geen grond aanwezig, nu niet gezegd kan worden dat de verdachte door die verzuimen in enig belang is geschaad, om de bestreden uitspraak om die reden ambtshalve te vernietigen.

4.6. De verdachte heeft op 8 april 1999 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 8 mei 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden en de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4.6 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze beloopt dertien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 november 2001.