Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4867

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
36521
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 963 met annotatie van Van Nispen tot Sevenaer
BNB 2002/247
FED 2002/405
WFR 2002/1023
V-N 2002/33.17

Uitspraak

Nr. 36.521

26 oktober 2001

FA

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 7 augustus 2000, nr. 98/03136, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 30.872, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak bevestigd.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingestelden daarbij een middel voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Belanghebbendes huwelijk is door echtscheiding geëindigd. Bij beschikking van de Arrondissements-rechtbank te Arnhem van 24 maart 1992 is bepaald dat de ex-echtgenote van belanghebbende alimentatie aan belanghebbende dient te betalen voor diens levensonderhoud. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het deel van de alimentatie waarmee hij de verzorging van huisdieren bekostigt, niet op grond van artikel 30, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in de heffing kan worden betrokken.

3.2. Het Hof heeft evenwel terecht geoordeeld dat het gehele bedrag dat belanghebbende maandelijks van zijn ex-echtgenote ontvangt, voor de heffing van de inkomstenbelasting gerekend wordt tot de inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in voornoemd artikel, en dat het hierbij niet van belang is welke overwegingen een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van het totale maandelijkse bedrag dat als alimentatie door de rechter aan belanghebbende is toegekend. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2001.