Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4854

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
26-10-2001
Zaaknummer
36514
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1483 met annotatie van Niessen-Cobben
BNB 2001/425
FED 2001/684
WFR 2001/1616
V-N 2001/61.8

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 36.514

26 oktober 2001

JMH

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 augustus 2000, nr. 99/3860, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van dat Hof van 9 juni 2000 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, aanslagnummer 001.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Met betrekking tot voormelde aanslag heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft bij uitspraak van 9 juni 2000 wegens overschrijding van de beroepstermijn het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof heeft bij zijn uitspraak van 15 augustus 2000 het verzet van belanghebbende tegen die beschikking wegens overschrijding van de verzettermijn niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. Het Hof heeft het verzet niet-ontvankelijk verklaard en daartoe geoordeeld dat het verzetschrift niet is ingekomen binnen zes weken na de verzending van de uitspraak, niet is gesteld of gebleken dat het verzetschrift binnen die termijn ter post is bezorgd en verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet aannemelijk is geworden. Het Hof heeft voorts overwogen dat belanghebbende niet heeft verzocht omtrent het verzet te worden gehoord.

3.2. Bij de beoordeling van de tegen deze oordelen gerichte klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Indien een verzetschrift niet binnen de termijn van zes weken is ontvangen, dient de uitspraak van het gerechtshof, waarbij een belanghebbende niet-ontvankelijk wordt verklaard, de gronden in te houden waaruit blijkt dat ook na toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:9, lid 2, en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht de te late ontvangst van het verzetschrift tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden (HR 29 november 1995, nr. 30447, BNB 1996/52). De beginselen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat het gerechtshof niet de niet-ontvankelijkheid van het verzet uitspreekt alvorens het de belanghebbende uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld aannemelijk te maken dat het verzetschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, dan wel feiten of omstandigheden aan te voeren op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het verzetschrift in verzuim is geweest (vergelijk HR 4 februari 1998, nr. 33107, BNB 1998/86).

3.3. Nu uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat aan belanghebbende evenbedoelde gelegenheid is geboden, kan 's Hofs uitspraak wegens schending van het bepaalde in artikel 8:77, lid 1, aanhef en letter b, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand blijven. In zoverre treft de klacht doel. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.H. Beukenhorst als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2001.