Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4503

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2001
Datum publicatie
30-11-2001
Zaaknummer
C00/094HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 38
Wet op de rechterlijke organisatie 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 715
NJ 2002, 56
JWB 2001/338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/094HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. drs. R. Müller,

t e g e n

[Verweerster], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 10 juni 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Alphen aan den Rijn en gevorderd [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van ƒ 3.045,29 minus ƒ 808,90 wegens aan [eiser] verschuldigd honorarium, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 1.456,79 over vermeld bedrag, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over verschuldigde bedragen, gerekend vanaf de vervaldatum van de aan de vordering ten grondslag liggende facturen, met dien verstande dat de vordering op 17 april 1998 ƒ 3.045,29 bedroeg en op 22 mei 1998 ƒ 2.236,39, zodat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 3 mei 1998 over het zojuist eerstgenoemde bedrag en daarna over het zojuist laatstgenoemde bedrag.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft na een tussenvonnis van 19 januari 1999, waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor uitlating van partijen inzake voortzetting c.q. royement, bij eindvonnis van 23 november 1999 [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

Het eindvonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de Kantonrechter heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep in cassatie en tot veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in cassatie.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Uit hetgeen hiervoor onder 1 werd overwogen blijkt dat het hier gaat om een zaak die op 10 juni 1998 bij de Kantonrechter aanhangig is gemaakt en dat daarbij een geldvordering is ingesteld van (in totaal) ƒ 2.693,18 (te weten: ƒ 3.045,29, verminderd met ƒ 808,90 en vermeerderd met ƒ 456,79), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 3.045,29 vanaf 3 mei 1998 tot 22 mei 1998 en vanaf 22 mei 1998 over een bedrag van ƒ 2.236,39 (volgens de inleidende dagvaarding).

Art. 38 RO, zoals dat tot 1 januari 1999 luidde, bepaalde dat geen hoger beroep kon worden ingesteld tegen het von-nis van de Kantonrechter als het totaal bedrag van de vordering minder bedroeg dan ƒ 2.500,--. Op 1 januari 1999 is art. 38 RO in dier voege gewijzigd, dat geen hoger beroep openstaat als de vordering niet meer beloopt dan ƒ 3.500,--. Uit artikel VI van de wijzigingswet (Stb. 1998, 605) volgt, dat de gewijzigde bepaling niet van toepassing is op zaken waarvan de inleidende dagvaarding is uitgebracht voor 1 januari 1999. De vordering in de inleidende dagvaarding van 10 juni 1998 bedroeg meer dan ƒ 2.500,--. [eiser] had derhalve van het vonnis van de Kantonrechter bij de Rechtbank te 's-Gravenhage in hoger beroep kunnen komen. Dit brengt, gezien voorts art. 96 lid 1 RO, mee dat [eiser] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 30 november 2001.