Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4496

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
11-12-2001
Zaaknummer
R01/083HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 996
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 492n
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 730
NJ 2002, 27
JWB 2001/355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 december 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/083HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [Verzoeker 1],

2. [Verzoeker 2],

3. [Verzoeker 3],

allen wonende te [woonplaats],

tezamen vormende het bestuur van: de stichting "Henriëtte Sara De Lanoy Meijer Stichting", gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 14 juni 2000 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht ingediend verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie - verder gezamenlijk te noemen: het bestuur - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de statuten van de stichting "Henriëtte Sara De Lanoy Meijer Stichting" te Driebergen-Rijsenburg - hierna: de stichting - te wijzigen in die zin dat artikel 2 als volgt komt te luiden:

"De Stichting heeft ten doel het geven van financiële en morele steun aan bij voorkeur Protestantse inwoners van de gemeente Driebergen-Rijsenburg, die tengevolge van hun leeftijd of andere redenen deze steun behoeven, dan wel aan bij voorkeur in de gemeente Driebergen-Rijsenburg gevestigde Protestantse kerkgenootschappen of aan in die gemeente gevestigde instellingen of rechtspersonen met een bij voorkeur Protestantse signatuur en voor wat betreft deze laatstbedoelde instellingen en rechtspersonen met een sociaal-culturele doelstelling, een en ander te bepalen door het bestuur", dan wel op zodanige wijze als de Rechtbank juist zal achten.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 20 juli 2000 het verzoek toegewezen.

Tegen deze beschikking heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. [Verweerder] heeft verzocht de beschikking van de Rechtbank te vernietigen en het verzoek tot wijziging van de statuten van de stichting af te wijzen, althans zodanige wijziging aan te brengen dat het doel van de stichting beperkt blijft tot natuurlijke personen.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Na mondelinge behandeling van de zaak op 6 maart 2001, heeft het Hof bij beschikking van 26 april 2001 de beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot wijziging van de statuten van de stichting afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft het bestuur beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de beschikking van het Hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] in zijn hoger beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Bij de bestreden beschikking heeft het Hof, zoals hiervoor onder 1 reeds vermeld, een beschikking van de Rechtbank waarbij op verzoek van het bestuur de statuten van de stichting waren gewijzigd, op een door [verweerder] daartegen ingesteld hoger beroep vernietigd en het verzoek tot wijziging van de statuten alsnog afgewezen.

3.2 Bij middel I wordt met een beroep op art. 996, aanhef en onder d, Rv. betoogd dat het Hof ten onrechte [verweerder] in zijn hoger beroep heeft ontvangen.

3.3 Genoemde bepaling houdt in dat in zaken als de onderhavige, strekkende tot wijziging van de statuten van een stichting, het hoger beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden na de dagtekening van de eindbeschikking. Deze bepaling, die in afwijking van art. 429n lid 2 Rv. een bijzondere appèltermijn inhoudt, is van openbare orde en behoort daarom door de rechter ambtshalve te worden toegepast.

3.4 In aanmerking genomen dat de beschikking van de Rechtbank als dagtekening 20 juli 2000 vermeldt en dat voorts het beroepschrift van [verweerder] eerst op 11 januari 2001 bij het Hof werd ingediend, had het Hof derhalve [verweerder] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren, zodat het middel slaagt. De Hoge Raad kan zelf de zaak in deze zin afdoen.

3.5 Een en ander brengt mee dat het bestuur bij een behandeling van middel II geen belang heeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 april 2001;

verklaart [verweerder] in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 20 juli 2000 niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 december 2001.