Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4481

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
06-02-2002
Zaaknummer
03428/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4481
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 220
VR 2002, 157 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2001

Strafkamer

nr. 03428/00

SO/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 17 maart 2000, nummer 04/401935-97, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboortedatum] (Somalië) op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Venlo van 12 maart 1998 - de verdachte ter zake van "als bezitter toelaten, dat met een motorrijtuig op een weg wordt gereden zonder dat hij voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheids- verzekering motorrijtuigen heeft gesloten en in stand houden" veroordeeld tot een geldboete van achthonderd- vijfentwintig gulden, subsidiair zestien dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. De Hoge Raad verstaat het middel aldus dat het klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte heeft toegelaten dat met zijn auto werd gereden.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat

"hij op 9 april 1997 in de gemeente Venlo als bezitter van een motorrijtuig (personenauto) heeft toegelaten dat daarmede werd gereden, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kaldenkerkerweg, zonder dat hij voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig genoemde Wet had gesloten en in stand gehouden."

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar het volgende verklaard:

"Ik ben in hoger beroep gegaan omdat ik niet zelf in die auto heb gereden, zonder dat de auto was verzekerd. Ten tijde van het plegen van het feit verbleef ik in Ethiopië. De auto stond gestald in een garagebedrijf voor de in- en verkoop van auto's. De sleutels van mijn auto had ik thuis liggen. Degene die in de auto heeft gereden heeft de sleutels

gepakt zonder mijn toestemming. Volgens mij heeft hij de auto willen wegnemen. Hij is hier ook voor veroordeeld(...)".

3.4. Voor de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat van "toelaten" in de zin van art. 30, eerste lid, WAM, zoals dat begrip in de tenlastelegging kennelijk wordt gebruikt, slechts sprake kan zijn bij een uitdrukkelijk of stilzwijgend gegeven toestemming (vgl. HR 13 februari 1979, NJ 1979, 355).

De hiervoor onder 3.3 weergegeven verklaring van de verdachte kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat in dit geval van zodanige toestemming geen sprake was.

Nu het aldus aangevoerde zijn weerlegging niet vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, is de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid opengebleven dat de verdachte niet heeft toegelaten dat met het desbetreffende motorrijtuig werd gereden. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd

3.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 13 november 2001.