Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4451

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
21-11-2001
Zaaknummer
03357/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4451
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 698
NBSTRAF 2002/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 november 2001

Strafkamer

nr. 03357/00

AGJ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 april 2000, nummer 23/001956-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Brits Borneo) op [geboortedatum] 1953, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haarlem" te Haarlem.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 20 juli 1999 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Flipse, advocaat te Zaandam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de bewijsgaring heeft plaatsge-vonden met schending van art. 11, tweede lid, van de

Wet persoonsregistraties (verder: WPR).

3.2. Het Hof heeft een ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2000 gevoerd verweer - dat als herhaald en ingelast is beschouwd ter terechtzitting van 30 maart 2000 - als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat het voorhanden bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. Hij heeft daartoe gesteld dat - zakelijk weergegeven - art. 11, tweede lid, van de Wet Persoonsregistraties (WPR) aan rechtmatige verstrekking door de luchtvaartmaatschappij aan het Schipholteam in de weg staat. Op grond van slechts vermoedens dat verdachte mogelijk XTC-pillen zou gaan uitvoeren, is door een lid van het Schipholteam aan de luchtvaartmaatschappij om verstrekking van vluchtgegevens verzocht, welke gegevens na verstrekking ook door het Schipholteam zijn gebruikt. Deze vermoedens kunnen niet een dringende reden en - aldus heeft de raadsman gepreciseerd - met name niet een gewichtige reden opleveren op grond waarvan respectievelijk tot het verzoek, de verstrekking en vervolgens tot het gebruikmaken van die gegevens had mogen worden overgegaan. Het vervolgens verkregen bewijsmateriaal is het rechtstreekse gevolg van deze onrechtmatige vergaring van vluchtgegevens.

Het Hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt. Het belang van opsporing naar het aan concrete feiten en omstandigheden ontleende vermoeden dat verdachte zich zou gaan schuldig maken aan de uitvoer van XTC-pillen is naar het oordeel van het hof ook op zichzelf genomen van voldoende betekenis, ofwel gewichtig in de zin van art. 11, tweede lid, WPR.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat de vluchtgegevens ook langs andere weg tijdig en adequaat konden worden verkregen, zodat ook aan het vereiste van dringendheid in de zin van evenvermelde bepaling is voldaan. In het midden kan derhalve blijven het antwoord op de vraag, of in het algemeen strafprocessuele gevolgen verbonden dienen te worden in het geval dat blijkt van het in de opsporing gebruik maken van persoonsgegevens die op verzoek van de opsporingsinstantie door de houder van een persoonsregistratie niet in overeenstemming met artikel 11 WPR zijn verstrekt."

3.3. Ingevolge art. 11, tweede lid, WPR kon de desbetreffende luchtvaartmaatschappij desgevraagd de hier bedoelde vluchtgegevens aan de opsporingsambtenaar verstrekken indien daartoe een dringende en gewichtige reden bestond en voorzover de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde daardoor niet onevenredig werd geschaad.

Het oordeel van het Hof, daarop neerkomende dat een redelijke verdenking dat een misdrijf voorzien in de Opiumwet, te weten de uitvoer van harddrugs uit Nederland, zou worden gepleegd een gewichtige reden als hiervoor bedoeld oplevert, is juist. Voorzover het Hof voorts heeft geoordeeld dat er ook sprake was van een dringende reden omdat de gevraagde gegevens niet langs andere weg tijdig en adequaat konden worden verkregen en dat, naar in de hierboven weergegeven overweging besloten ligt, door de verstrekking daarvan de persoonlijke levenssfeer van de verdachte niet onevenredig werd

geschaad, geeft dat oordeel voorts geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

3.4. Het middel, dat zich voorts nog tevergeefs keert tegen overwegingen ten overvloede van het Hof, faalt dus.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig acht waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 20 november 2001.