Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4372

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
02860/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4372
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 245
NBSTRAF 2002/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2001

Strafkamer

nr. 02860/00

KD/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 3 mei 2000, nummer 21/000258-00, in de

strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 12 november 1999 - de verdachte ter zake van 1. meest subsidiair "medeplichtigheid aan: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" en

2. medeplegen van: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte gedurende zestig uren, in plaats van vier weken jeugddetentie. Voorts heeft het Hof een benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de vordering van de andere benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De benadeelde partij [...] b.v. heeft een geschrift ingediend dat evenwel niet kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende middelen van cassatie.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 meest subsidiair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed aangezien uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het verschaffen van de middelen opzet heeft gehad op het vernielen van de telefooncel en evenmin dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het door Staring gepleegde feit.

3.2. Het Hof heeft onder 1 meest subsidiair ten laste van de verdachte daarvan bewezenverklaard dat:

"[betrokkene 1] op 01 januari 1999 te Westervoort tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een telefooncel, toebehorende aan KPN Telecom, heeft vernield door in voornoemde telefooncel een vuurwerkbom (bestaande uit een metalen tafelpoot, gevuld met kruit van vuurwerk) tot ontploffing te brengen, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 december 1998 te Westervoort tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door te assisteren bij de vervaardiging van voormelde vuurwerkbom."

3.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof onder meer vastgesteld dat:

- de verdachte samen met anderen op oudejaarsdag een vuurwerkbom heeft vervaardigd, waarvoor de verdachte ook kruit heeft geleverd, waarbij is afgesproken dat deze in de nieuwjaarsnacht tot ontploffing zou worden gebracht;

- in verband met die afspraak [betrokkene 1] kort na 24.00 uur in de nieuwjaarsnacht met anderen naar het winkelcentrum de Broeklanden is gelopen met in zijn rugtas de vuurwerkbom;

- in het winkelcentrum een grote groep personen aanwezig was die allen wisten dat [betrokkene 1] een vuurwerkbom bij zich had;

- zich onder die personen ook de verdachte bevond;

- verschillende mensen aldaar opperden de bom in de telefooncel te leggen;

- [betrokkene 2] (een van de personen die mede de bom hadden vervaardigd) de deurtjes van de telefooncel heeft opengezet en dat [betrokkene 1] de bom naast de telefoon heeft geplaatst en de lont heeft aangestoken;

- de bom is ontploft waardoor de telefooncel is vernield.

3.4. Het Hof heeft bewezen verklaard, verbeterd gelezen op de wijze zoals hierna onder 3.6 weergegeven, dat de verdachte opzettelijk middelen heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf, te weten vernieling.

Daartoe is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van middelen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2°, Sr, doch tevens dat verdachtes opzet gericht was op vernieling.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof kunnen afleiden, dat ingevolge een gemaakte afspraak de vuurwerkbom op het afgesproken moment in het winkelcentrum de Broeklanden, alwaar de verdachte toen aanwezig was, tot ontploffing zou worden gebracht. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de aard van de vuurwerkbom heeft het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen tevens kunnen afleiden dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door het tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom vernielingen zouden worden aangericht en dat aldus sprake was van het tenlastegelegde opzet. Daaraan doet niet af de in het middel aangevoerde omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het verschaffen van de middelen bij het vervaardigen van de bom niet wist dat specifiek de onderhavige telefooncel met behulp daarvan zou worden vernield.

3.5. De desbetreffende klacht van het middel faalt derhalve.

3.6. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de aan de verdachte verweten gedragingen zijn verricht enkele uren voor de vernieling van de telefooncel.

Kennelijk als gevolg van een misslag heeft het Hof in de voor de bewezenverklaring gebezigde kopie van de tenlastelegging na de woorden "tot ontploffing te brengen" het woordje "tot" doorgehaald in plaats van het woordje "bij", alsmede de zinsnede "en/of opzettelijk behulpzaam is geweest" niet doorgehaald.

De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met verbetering van deze misslagen aldus, dat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"[betrokkene 1] op 01 januari 1999 te Westervoort tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een telefooncel, toebehorende aan KPN Telecom, heeft vernield door in voornoemde telefooncel een vuurwerkbom (bestaande uit een metalen tafelpoot, gevuld met kruit van vuurwerk) tot ontploffing te brengen, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 december 1998 te Westervoort tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk middelen heeft verschaft door te assisteren bij de vervaardiging van voormelde vuurwerkbom."

3.7. Het voorgaande brengt mee dat de tweede klacht van het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 13 november 2001.