Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4371

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
02846/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4371
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 358, geldigheid: 2001-10-30
Wetboek van Strafvordering 359, geldigheid: 2001-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 149

Uitspraak

30 oktober 2001

Strafkamer

nr. 02846/00

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 april 2000, nummer 22/002949-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 12 maart 1999 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijke overtreding van het in artikel 91, tweede lid aanhef en onder a van de Wet op de accijns opgenomen verbod", 2. "opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, beletten" en 3. "diefstal" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van vijftienhonderd gulden, subsidiair dertig dagen hechtenis.

2.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft gegeven op een verweer dat het

bewijs met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit onrechtmatig is verkregen, "nu de betreffende ver-

balisanten niet bevoegd waren tot de vorderingen van art. 83 van de Wet op de accijns."

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de raadsman, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, heeft aangevoerd:

"De ambtenaren waren niet opsporingsbevoegd en hadden niet mogen vorderen."

3.3. Aldus is ter terechtzitting in hoger beroep niet een voldoende duidelijk geformuleerd verweer gevoerd, waarop het Hof gehouden was een uitdrukkelijke beslissing te geven, nu het verweer niet inhoudt waarom de opsporingsambtenaren niet opsporingsbevoegd waren noch op welke vordering(en) wordt gedoeld. In dit verband verdient opmerking dat in eerste aanleg een verweer is gevoerd met betrekking tot een controlebevoegdheid.

3.4. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de desbetreffende verbalisanten

"bevoegd waren tot de vorderingen van artikel 83 van de Wet op de Accijns". Blijkens de toelichting ziet het

middel op de bevoegdheid tot staandehouding en monster-

neming.

4.2. Ook dit middel faalt. 's Hofs in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de desbetreffende ambtenaren terzake bevoegd waren, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in het licht van de stukken van het geding, waaronder een brief met bijlagen van de Contactambtenaar AWR/DW van de Belastingdienst/Douanedistrict Rotterdam van 10 maart 1999.

4.3. Het middel faalt dus.

5. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6.Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 30 oktober 2001.