Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4369

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
06-02-2002
Zaaknummer
02802/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4369
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Reglement rijbewijzen 16
Wegenverkeerswet 1994 107
Wegenverkeerswet 1994 118
Wegenverkeerswet 1994 118
Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 november 2001

Strafkamer

nr. 02802/00

SO/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 7 juni 2000, nummer 11/155073-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Dordrecht van 6 oktober 1999 - de verdachte ter zake van 1., 2., 3. en 4. telkens opleverende: "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" en 5. "overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld ten aanzien van de feiten 1., 2., 3. en 4. tot viermaal een geldboete van telkens vierhonderdvijftig gulden, subsidiair telkens negen dagen hechtenis en ten aanzien van feit 5. tot een geldboete van zevenhonderddertig gulden, subsidiair veertien dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.G. Hoogerwerf, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. Nadien heeft mr. Hoogerwerf het eerste middel ingetrokken. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het tweede en het derde middel

3.1. De in de middelen vervatte klachten komen er op neer dat de bewezenverklaringen onder 1, 2 , 3 en 4 ontoereikend zijn gemotiveerd in het licht van een in hoger beroep namens de verdachte gevoerd verweer.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 23 oktober 1998 te Dordrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de P.A. de Genestetstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie motorrijtuigen waartoe dat motorrijtuig behoorde, immers is door of vanwege de Minister van Verkeer en Waterstaat bepaald dat hij, verdachte, uitsluitend bevoegd is een aan (de Hoge Raad leest: zijn) handicap aangepast motorrijtuig te besturen terwijl dat door hem bestuurde motorrijtuig niet als zodanig was ingericht."

3.2.2. De bewezenverklaringen onder 2, 3 en 4 zijn gelijkluidend aan die onder 1, behoudens de tijdstippen van de gedragingen (onderscheidenlijk 22 oktober, 2 november en 9 november 1998) en de namen van de wegen waarop is gereden.

3.3. Voor de beoordeling van de middelen zijn de volgende, hier toepasselijke bepalingen van belang.

(i) Art. 107, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 luidt:

"Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort."

(ii) Art. 118 Wegenverkeerswet 1994 luidt, voorzover hier van belang:

"(...)

2. De categorieën worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

3. De uit de categorieën voortvloeiende bevoegdheden kunnen overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels worden beperkt door het stellen van eisen aan het motorrijtuig of aan de bestuurder daarvan.

(...)."

(iii) De in het tweede lid van art 118 Wegenverkeerswet 1994 bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Reglement rijbewijzen (Besluit van 30 mei 1996, Stb. 377).

Art. 16 van dat Reglement luidt:

"Aan de aanvrager van een rijbewijs, die blijkens de door hem overgelegde verklaring van geschiktheid slechts een motorrijtuig kan besturen dat aan bepaalde eisen voldoet dan wel slechts een motorrijtuig kan besturen indien hij gebruik maakt van kunst- of hulpmiddelen, wordt een rijbewijs afgegeven dat slechts geldig is voor het besturen van een motorrijtuig dat aan die eisen voldoet dan wel indien de aanvrager bij het besturen gebruik maakt van die kunst- of hulpmiddelen. In het rijbewijs is deze beperking aangeduid met een bij ministeriële regeling vastgestelde codering."

(iv) Bedoelde ministeriële regeling is de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid (Stcrt. 1996, 101). Art. 1 van die Regeling luidt, voorzover hier van belang:

"De beperkingen met betrekking tot de rijbevoegdheid, bedoeld in de artikelen 16, (...) van het Reglement rijbewijzen, worden in het rijbewijs aangeduid met de coderingen die zijn vastgesteld in de bij deze regeling behorende bijlage."

(v) Genoemde bijlage houdt - voorzover hier van belang - het volgende in:

"Geharmoniseerde communautaire codes

Bestuurder (medische oorzaken)

01 Correctie van het gezichtsvermogen

01.01 Bril;

(...)

02 Gehoorprothese

(...)

03. Prothese/orthese aan arm

(...)

04. Op vertoon van een geldig medisch attest.

05 Beperkt gebruik om gezondheidsredenen

(...)

Aanpassingen/eisen aan het voertuig

(...)

35 Aangepaste bediening van de verplichte inrichtingscomponenten (d.i. verlichting, ruitenwisser/ruitensproeier, hoorn, richtingaanwijzers, mistlamp e.d.)

35.01 Schakelaars bedienbaar zonder dat besturing en bediening van het voertuig nadelig kan worden beïnvloed;

(...)."

(vi) De Toelichting behorende bij de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid houdt onder meer het volgende in:

"De subcodes zijn essentieel, onder meer om nauwkeurig aan te duiden op welke wijze voertuigen van min of meer gehandicapte personen zo dienen te worden aangepast dat betrokkenen toch nog op verantwoorde wijze aan het wegverkeer kunnen deelnemen."

3.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft de Rechtbank vastgesteld dat de verdachte op de in de bewezenverklaringen onder 1, 2, 3 en 4 genoemde tijdstippen heeft gereden in auto's die niet aan zijn handicap waren aangepast, terwijl de verdachte toen in het bezit was van een rijbewijs B, met daarop aangetekend de code 35.01.

3.5. De middelen berusten, evenals het in de middelen bedoelde, in hoger beroep gevoerde verweer, op de opvatting dat code 35.01 een aan de bestuurder te stellen eis betreft, te weten dat die bestuurder in staat moet zijn de schakelaars te bedienen zonder dat de besturing en bediening van het voertuig nadelig kunnen worden beïnvloed en dat de vermelding van die code op het rijbewijs van de verdachte dus niet betekent dat zijn rijbevoegdheid is beperkt tot auto's die zijn aangepast aan zijn handicap.

Die opvatting is onjuist. Blijkens de hiervoor onder 3.3. weergeven regelgeving ressorteert subcode 35.01 onder de coderingen die betrekking hebben op de vereiste aanpassingen van het voertuig en betekent de vermelding van die code op het rijbewijs derhalve dat de bevoegdheid tot het besturen van de categorie motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven is beperkt tot motorrijtuigen die voor wat betreft de bediening van de schakelaars aan de handicap van de bestuurder zijn aangepast.

De middelen zijn daarom tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 6 november 2001.