Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4336

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
02104/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4336
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 68
Wetboek van Strafvordering 261
Wetboek van Strafvordering 313
Wetboek van Strafvordering 314a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2001

Strafkamer

nr. 02104/00

HM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 februari 2000, nummer 22/001023-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 6 april 1998, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1B en 6 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2A. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 4. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 5. "mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken, is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. S.T. van Berge Henegouwen en mr. M.M.H. Zuketto, advocaten te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel.

3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de door het Hof gegeven beslissing omtrent een door de Rechtbank op de voet van art. 314a in verbinding met art. 313 Sv toegelaten wijziging van de tenlastelegging.

3.2. Het Hof heeft op blz. 2 van het bestreden arrest onder het hoofd "De nadere omschrijving en wijziging van de tenlastelegging", voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen en beslist:

"De inleidende dagvaarding heeft de officier van justitie de verdachte een achttal feiten tenlastegelegd. Voor een omschijving van deze feiten heeft de officier van justitie op de voet van het bepaalde in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met de omschrijving die in het laatste bevel gevangenhouding is gegeven. De officier van justitie heeft vervolgens een vordering "nadere omschrijving" als bedoeld in artikel 314a van genoemd wetboek ingediend. Daarna heeft de officier van justitie nog een tweede vordering "wijziging tenlastelegging" op de voet van het bepaalde in artikel 313 van genoemd wetboek ingediend. De rechtbank heeft beide vorderingen toegewezen.

Door in de nadere omschrijving tenlastelegging plotseling en voor het eerst op de proppen te komen met de verdenkingen van de mishandelingen door de verdachte van zijn echtgenote (feit 5) en de bedreiging van [slachtoffer] (feit 6), heeft de officier van justitie volgens de verdediging de tenlastelegging uitgebreid met andere feiten terwijl elk verband tussen die feiten en de in de voorlopige tenlastelegging opgenomen feiten, ontbreekt. Een dergelijke wijziging c.q. uitbreiding van de voorlopige tenlastelegging is volgens de verdediging niet toegestaan. De verdediging wijst op HR 24 maart 1998, NJ 1998, 535 en HR 20 oktober 1998, NJ 1999, 52).

Uit de laastgenoemde arresten blijkt dat wijziging van de voorlopige tenlastelegging ingevolge het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering welke bestaan uit een uitbreiding daarvan met andere feiten slechts dan niet toelaatbaar is indien elk verband tussen de feiten die overeenkomstig het bevel gevangenhouding zijn opgenomen in de voorlopige tenlastelegging en die in de gewijzigde tenlastelegging ontbreekt.

In het in de inleidende dagvaarding onder 8 tenlastegelegde wordt de verdachte beschuldigd van deelneming aan een organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, zoals het uitoefenen van geweld tegen personen (afpersing en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving). In het thans onder 6 tenlastegelegde feit wordt de verdachte, kort samengevat, verweten dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling. [Slachtoffer] is autohandelaar en als zodanig betrokken bij de autohandel waarover in het thans onder 1C tenlastegelegde feit wordt gesproken. Naar 's Hofs oordeel kan daarom niet worden gezegd dat tussen dit feit en het in de inleidende dagvaarding onder 8 tenlastegelegde feit, voorzover hiervoor vermeld, elk verband ontbreekt.

Het onder 5 tenlastegelegde betreft weliswaar een geweldshandeling doch elk verband met enig in de inleidende dagvaarding onder 8 tenlastegelegde feit ontbreekt. Het betreft hier een gebeurtenis die los staat van hetgeen de verdachte in de inleidende dagvaarding wordt verweten. Niettemin is begrijpelijk waarom het openbaar ministerie dit feit in de nadere omschrijving van de tenlastelegging heeft opgenomen. Het betrof een relatief eenvoudige zaak die zonder dat een reëel gevaar bestond dat daarvoor verdedigingsbelangen in het gedrang zouden komen, bij het onderzoek ter terechtzitting kon worden meegenomen. De echtgenote van de verdachte was immers in het opsporingsonderzoek reeds als getuige gehoord inzake het thans onder 4 tenlastegelegde feit.

Het betreft hier geen ernstig verzuim. Gesteld noch gebleken is dat door dit verzuim aan de mogelijkheden tot verdediging nadeel is toegebracht. De echtgenote is door de rechter-commisaris als getuige gehoord. Zij was ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2000 aanwezig. Desgevraagd vond de verdediging het niet nodig de echtgenote door het hof als getuigen te doen horen. Gelet op het vorenstaande dient naar 's Hofs oordeel de ongeoorloofde uitbreiding van de tenlastelegging door daarin het onder 5 tenlastegelegde feit op te nemen zonder rechtsgevolg te blijven."

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld:

a) dat de regeling van art. 261, derde lid, Sv in verbinding met art. 314a Sv een uitzondering vormt op de regel dat de inleidende dagvaarding de opgave bevat van het feit dat wordt tenlastegelegd en dat een wijziging van de tenlastelegging gedurende de procedure niet toelaatbaar is indien als gevolg daarvan de tenlastelegging niet langer hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr zou inhouden,

b) dat die uitzondering daarin bestaat dat in de in art. 261, derde lid, Sv bedoelde gevallen voor de opgave van het feit in de inleidende dagvaarding kan worden volstaan met de omschrijving die in het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is gegeven en dat bij de nadere omschrijving van dat feit als bedoeld in art. 314a Sv niet de beperking geldt dat sprake moet zijn van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr als het in de inleidende dagvaarding opgenomen feit, doch dat

c) bij toepassing van die uitzondering een wijziging ingevolge art. 314a Sv van de voorlopige omschrijving welke bestaat in een uitbreiding met andere feiten niet toelaatbaar is indien elk verband ontbreekt tussen die feiten en die welke overeenkomstig het bevel gevangenhouding of gevangenneming zijn opgenomen in de inleidende dagvaarding (vgl. HR 24 maart 1998, NJ 1998, 535 en HR 20 oktober 1998, NJ 1999, 52).

3.4. Het Hof heeft vastgesteld dat het bij genoemde wijziging van de voorlopige tenlastelegging onder 5 toegevoegde feit geen enkel verband houdt met hetgeen de verdachte in de voorlopige tenlastelegging werd verweten. Op grond daarvan heeft het, in overeenstemming met hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld, geoordeeld dat de uitbreiding van de voorlopige tenlastelegging met dat feit ongeoorloofd was. Gelet daarop had het Hof de beslissing van de Rechtbank waarbij de nadere omschrijving is toegelaten voor wat betreft het onder 5 toegevoegde feit moeten vernietigen en heeft het Hof ten

onrechte ook op de grondslag van dat gedeelte van de tenlastelegging beraadslaagd en beslist. Het middel is dus terecht voorgesteld.

3.5. De Hoge Raad zal doen hetgeen het Hof had behoren te doen en voorts om redenen van doelmatigheid de opgelegde straf, die ten onrechte ook is gebaseerd op het onder 5 bewezenverklaarde en strafbaar verklaarde feit, verminderen.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend voor wat betreft de ten aanzien van feit 5 gegeven beslissingen en de strafoplegging;

Verklaart, met vernietiging van de desbetreffende beslissing van de Rechtbank, de op de terechtzitting van de Rechtbank van 12 januari 1998 door de Officier van Justitie gedane nadere omschrijving als bedoeld in art. 314a Sv voorzover het betreft feit 5 ontoelaatbaar en wijst de vordering van de Officier van Justitie in zoverre af;

Bepaalt de straf voor wat betreft de feiten 1, 2A en 4 op een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaren, elf maanden en twee weken;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 18 december 2001.