Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4298

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
01122/01 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4298
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 1, geldigheid: 2001-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

30 oktober 2001

Strafkamer

nr. 01122/01 U

KD/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 9 mei 2001, parketnummer 03/007028-00, op een verzoek van de republiek Italië tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedatum] 1961, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geerhorst" te Sittard.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Italië toelaatbaar verklaard voor de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarin artikel 11 van het Europees Uitleveringsverdrag van toepassing is verklaard en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst is aangehaald, tot vermelding van art. 12 van het Europees Uitleveringsverdrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de

Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het vonnis ter zake waarvan de uitlevering is verzocht, bij verstek is gewezen zodat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar is.

3.2. De Rechtbank heeft in haar uitspraak het gevoerde verweer als volgt weergegeven en verworpen:

"Namens [de opgeëiste persoon] heeft zijn raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard dient te worden. Hij heeft daartoe aangevoerd

- zakelijk weergegeven:

In de aanvullende informatie uit Italië, en wel de verklaring van 2 februari 2001, staat vermeld:

"Voornoemde beschuldigde werd veroordeeld in de eerste graad voor feiten die aanhangig gemaakt werden in het bevel tot in verzekerde bewaring stelling waarvoor over gegaan werd tot het verzoek tot uitlevering (lid maffia art. 416 bis S.w.B;)

Beschuldigde werd bij verstek veroordeeld

Beschuldigde werd gedurende de rechtzaak in eerste graad bijgestaan door zijn eigen vertrouwensman

adv. Franco Bonura van het Hof van Catania en dezelfde verdediger zal hem bijstaan gedurende de komende rechtzaak van appel, zodat weerhouden moet worden dat [de opgeëiste persoon] helemaal verzekerd is van het recht op verdediging zowel in de rechtzaak in eerste graad als wel van deze in appel."

In artikel 5. Lid 3, van de Uitleveringswet staat vermeld:

"Indien, in het geval bedoeld in het eerste lid, onder b, de veroordeling tot vrijheidsstraf bij verstek heeft plaatsgevonden, kan de uitlevering slechts worden toegestaan, indien de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren."

Dit moet leiden tot de conclusie dat hem in eerste aanleg in Italië een raadsman terzijde heeft gestaan en dat er geen stuk is aangetroffen waaruit blijkt dat hij in eerste aanleg is gedagvaard.

Het enkele feit dat er in eerste aanleg een advocaat namens hem is opgetreden, betekent nog niet dat is voldaan aan het in het zojuist genoemde wetsartikel gestelde.

Het zelf in appel verschijnen en bijgestaan worden door een raadsman is in dezen irrelevant.

De rechtbank verwerpt het verweer, nu in de door de raadsman geciteerde verklaring van 2 februari 2001 met zoveel woorden staat dat de opgeëiste persoon in eerste instantie is vertegenwoordigd door zijn eigen vertrouwensman advocaat Franco Bonura en dat deze hem ook bij de behandeling in hoger beroep zal bijstaan, zodat voldaan wordt aan het geen in artikel 5, derde lid, van de Uitleveringswet hieromtrent is vereist."

3.3. Op grond van het Nederlandse voorbehoud bij art. 1 EUV is Nederland niet gehouden de uitlevering toe te staan wanneer deze is verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen vonnis waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, indien de uitlevering ertoe zou kunnen leiden dat de opgeëiste persoon een straf moet ondergaan zonder in de gelegenheid te zijn geweest het in art. 6, derde lid sub c, EVRM bedoelde recht om zich te verdedigen uit te oefenen.

3.4. De Rechtbank heeft vastgesteld dat tegen het vonnis ter tenuitvoerlegging waarvan de uitlevering is verzocht, hoger beroep is ingesteld. Daarin ligt besloten dat zich te dezen niet het geval voordoet als bedoeld in het voorbehoud bij art. 1 EUV. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank het gevoerde verweer terecht verworpen.

3.5. Het middel faalt derhalve.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in haar uitspraak ten onrechte art. 11 van het Europees Uitleveringsverdrag en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst als toepasselijke verdragsbepalingen vermeld en verzuimd art. 12 van het Europees Uitleveringsverdrag aan te halen. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak in zoverre vernietigen en doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen andere dan de hiervoor onder 4

genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voorzover daarin als toepasselijke verdragsbepalingen art. 11 van het Europees Uitleveringsverdrag en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst zijn vermeld, en voorzover daarbij is verzuimd art. 12 van het Europees Uitleveringsverdrag te vermelden;

Vermeldt als mede toepasselijke verdragsbepaling art. 12 van het Europees Uitleveringsverdrag;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier M.I. Veldt-Foglia, en uitgesproken op 30 oktober 2001.

Mr. B.C. de Savornin Lohman is buiten staat dit arrest te ondertekenen.