Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4291

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
01057/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4291
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, Straatsburg, 17-03-1978 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 726
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 december 2001

Strafkamer

nr. 01057/01 U

AS/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 14 juli 2000, nummer UT 3101-1122-99, op een verzoek van de Tsjechische Republiek tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Tsjechië) op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft toelaatbaar verklaard de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Tsjechische Republiek ter verdere tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, opgelegd door de Districtsrechtbank te Bruntál bij het vonnis van 24 november 1997.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel strekt, naar de Hoge Raad begrijpt, ten betoge dat de Rechtbank op grond van het hier toepasselijke art. 3, eerste lid, van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake uitlevering de verzochte uitlevering ontoelaatbaar had dienen te verklaren.

3.2. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat zich een imperatieve grond tot ontoelaatbaarheid van het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voordoet. Volgens de raadsman is niet voldaan aan het gestelde in artikel 5 lid 3 van de Uitleveringswet. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon bij verstek is veroordeeld, dat de strafzaak weliswaar voor twee instanties heeft plaatsgevonden, maar dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van zijn strafzaak en er geen contact is geweest tussen de aan de strafzaak toegevoegde advocaat en de opgeëiste persoon. Volgens de raadsman is de opgeëiste persoon hierdoor niet in voldoende mate in de gelegenheid geweest om zijn verdediging te voeren. Bovendien kan de opgeëiste persoon geen rechtsmiddel meer aanwenden en is er geen gelegenheid om alsnog bij een nieuwe behandeling van de strafzaak zijn verdediging te kunnen voeren. Op grond hiervan komt de raadsman tot de conclusie dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard.

(...)

Hoewel de opgeëiste persoon inderdaad bij verstek in Tsjechië is veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon voldoende in de gelegenheid is geweest om de verdediging te kunnen voeren. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de opgeëiste persoon bijstand heeft gehad van een advocaat die aan de strafzaak was toegewezen. De strafzaak is in eerste aanleg behandeld en er is bij verstek vonnis gewezen. Vervolgens heeft de advocaat hoger beroep aangetekend, waarna de strafzaak in tweede instantie is behandeld en het beroep als ongegrond is afgewezen. De opgeëiste persoon was onvindbaar voor de Tsjechische autoriteiten, hij hield zich niet op op de bekende adressen en hij heeft ook de autoriteiten nooit in kennis gesteld van zijn werkelijke woon- of verblijfplaats. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon zich voor de autoriteiten schuil hield brengt niet mee dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zich te verdedigen. Hij heeft van de geboden gelegenheid echter geen gebruik gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de eisen van artikel 5, derde lid van de Uitleveringswet. Op grond van bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Tsjechische Republiek voor de tenuitvoerlegging van de aan opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf toelaatbaar is."

3.3. Art. 3, eerste lid, van het te dezen toepasselijke Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake uitlevering luidt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:

"When a Contracting Party requests from another Contracting Party the extradition of a person for the purpose of carrying out a sentence or detention order imposed by a decision rendered against him in absentia, the requested Party may refuse to extradite for this purpose if, in its opinion, the proceedings leading to the judgment did not satisfy the minimum rights of defence recognised as due to everyone charged with criminal offence."

3.4. De hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen van de Rechtbank houden als haar kennelijk oordeel in dat de Tsjechische beslissing ter zake waarvan de uitlevering is gevraagd, niet kan worden aangemerkt als "a judgment in absentia" waarvan gezegd kan worden dat de daaraan voorafgegane procedure niet voldoet aan "the minimum rights of defence" in de zin van voormeld art. 3. Dit oordeel, dat verweven is met waarderingen van feitelijke aard, getuigt niet van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in genoemd art. 3, terwijl het niet onbegrijpelijk is.

3.5. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 december 2001.