Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4290

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
14-02-2002
Zaaknummer
01044/01 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4290
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2002/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 november 2001

Strafkamer

nr. 01044/01 U

IV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 17 april 2001, nummer 13-097040/00, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1.1. In de eerste plaats wordt erover geklaagd dat de Rechtbank het verweer dat de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten door of onder regie van de opsporingsautoriteiten is uitgelokt tot het plegen van de aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggende feiten, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.1.2. In de bestreden uitspraak wordt verwezen naar een fax van Judith Friedman, Senior Trial Attorney, verbonden aan het Office of International Affairs van het U.S.Department of Justice, Criminal Division en wordt een gedeelte van die fax als volgt weergegeven:

"(...)[de opgeëiste persoon] was clearly predisposed to commit the illegal acts with which he was charged. Specifically, [de opgeëiste persoon]'s predisposition is evidenced by his having been engaged in drug activity with another drug suspect prior to the contact by a confidential informant, as confirmed by his own statement to the police following his arrest. As [de opgeëiste persoon] was in no way influenced by an employee of the United States or any persons acting at the direction of officers thereof, there can be no legitimate claim that he was "incited" to commit crimes by anyone under the supervision of law enforcement authorities."

De Rechtbank heeft het verweer vervolgens als volgt verworpen:

"Uit deze beantwoording blijkt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate dat de opgeëiste persoon ook naar Europees-rechtelijke opvattingen door activiteiten van of onder regie van de Amerikaanse opsporingsambtenaren niet is gebracht tot handelingen waarop zijn opzet niet reeds was gericht."

3.1.3. Ten aanzien van dit verweer moet worden vooropgesteld dat het niet tot de taak van de rechter behoort die over de toelaatbaarheid van de uitlevering moet beslissen, te oordelen over de rechtmatigheid van het in de verzoekende staat verrichte opsporingsonderzoek en van het daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien door de raadsman zodanige gegevens naar voren zijn gebracht dat zou blijken dat de opgeëiste persoon door de uitlevering risico zou lopen te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht (vgl. HR 10 juli 2001, LJN AB 3325).

3.1.4. In de bestreden uitspraak ligt besloten dat de Rechtbank een dergelijk risico niet aanwezig heeft geoordeeld. Dat oordeel is, gelet op de onder 3.1.2 weergegeven inhoud van de fax, niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

3.2.1. De middelen behelzen voorts de klacht dat de Rechtbank niet gemotiveerd heeft beslist op het verweer dat de Verenigde Staten een criminele burgerinfiltrant hebben ingezet, welke opsporingsmethode strijdig is met Nederlands recht.

3.2.2. In de bestreden uitspraak is een dergelijke beslissing niet te vinden. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden aangezien de Rechtbank dat verweer slechts had kunnen verwerpen.

3.2.3. Het enkele feit dat een criminele burgerinfiltrant zou zijn ingezet, dwingt bij toetsing aan de hiervoor onder 3.1.3 weergegeven maatstaf immers niet tot het oordeel dat art. 6 EVRM in de gestelde mate is geschonden. Ter ondersteuning van het verweer zijn voorts geen andere omstandigheden aangevoerd die tot dat oordeel nopen.

3.2.4. Ook deze klacht faalt.

3.3.1. In de derde plaats wordt geklaagd over de verwerping door de Rechtbank van het beroep op flagrante schending van de redelijke-termijn-clausule als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, aangezien ongeveer tien jaren zijn verstreken tussen de pleegdata van de feiten (1990 en 1991) en de aanhouding van de opgeëiste persoon.

3.3.2. De Rechtbank heeft dat beroep als volgt verworpen:

"Uit een door het U.S. Department of Justice, Criminal Division, verschaft overzicht van 11 augustus 2000 blijkt dat de Amerikaanse autoriteiten een groot aantal activiteiten hebben ontwikkeld om te komen achter de verblijfplaats van de opgeëiste persoon die zich met overtreding van schorsings-voorwaarden aan de Amerikaanse justitie had onttrokken. De conclusie uit een en ander kan slechts zijn dat het uitsluitend aan de houding van de opgeëiste persoon toe te schrijven is dat het geruime tijd heeft geduurd voordat de Amerikaanse autoriteiten zijn verblijfplaats achterhaalden, en dat er geen sprake is geweest van stilzitten van de Amerikaanse autoriteiten.

Ook dit beroep dient derhalve te worden verworpen."

3.3.3. De Rechtbank heeft klaarblijkelijk op grond van een zich bij de stukken bevindend overzicht van 11 augustus 2000 en van een affidavit van 2 juni 2000 dat zich als bijlage bij het uitleveringsverzoek bevindt vastgesteld dat

(i) de opgeëiste persoon zelf al die jaren na op 14 maart 1991 op borgtocht te zijn vrijgelaten voortvluchtig is gebleven en

(ii) de Verenigde Staten naar zijn verblijfplaats zijn blijven zoeken. Daarom is haar onder 3.3.2 weergegeven oordeel niet onbegrijpelijk en genoegzaam gemotiveerd.

Ook deze klacht faalt.

3.4. De overige in de middelen vervatte klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 20 november 2001.