Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4269

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
02252/00 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4269
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 463
NJ 2001, 534
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2001

Strafkamer

nr. 02252/00 A

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 22 december 1999, parketnummer 900/072-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1970, wonende op Curaçao, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 17 maart 1999 - de verdachte ter zake van "diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren" en 2. "overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930" veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat de strafoplegging betreft en tot verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR heeft geschonden op de grond dat het bij de strafmotivering feiten in aanmerking heeft genomen die niet zijn tenlastegelegd en bewezenverklaard.

3.2. Het Hof heeft, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, ter motivering van de straf overwogen:

"Verdachte heeft niet geschroomd, ten einde de waarheid te verhullen, zijn concubine tot meineed aan te zetten. Evenmin heeft hij geschroomd een getuige van de overval en diens vader ernstig te bedreigen, andermaal met het kennelijke doel dat de waarheid, zijn betrokkenheid bij de onderhavige overval, niet boven water komt".

3.3. Voor wat betreft de tweede in die overweging genoemde omstandigheid heeft het Hof in het midden gelaten of het hier om strafbare bedreigingen gaat, terwijl de stukken van het geding ook niets inhouden waaruit kan volgen hoe 's Hofs overweging in dit opzicht moet worden verstaan. Gelet daarop kan in cassatie niet worden beoordeeld of het Hof, in aanmerking genomen dat niet blijkt dat aan de in art. 412 Sv NA gestelde voorwaarden voor voeging ad informandum is voldaan, ten onrechte met die omstandigheid bij de straftoemeting rekening heeft gehouden. Voorzover de motiveringsklacht van het middel geacht kan worden mede daarop betrekking te hebben, is deze dus gegrond.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Het cassatieberoep is ingesteld op 28 december 1999. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 9 januari 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt, in aanmerking genomen dat de verdachte in verband met de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis verkeert, mee dat in de cassatiefase de redelijke termijn van berechting is overschreden (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000,721).

Bij de strafoplegging na verwijzing zal het Hof die overschrijding in aanmerking dienen te nemen.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 3 juli 2001.