Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD4008

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
15-10-2001
Zaaknummer
R01/005HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD4008
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a, geldigheid: 2001-10-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 530
JWB 2001/243

Uitspraak

12 oktober 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/005HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[De man], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 2 maart 1999 ter griffie van de Rechtbank te Zutphen ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en de echtscheiding van het tussen partijen op 15 juni 1979 te [...] gesloten huwelijk uit te spreken.

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft het verzoek tot echtscheiding bestreden en de Rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de man met een bedrag van ƒ 1.500,-- per maand, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal bepalen.

Nadat de Rechtbank partijen op 8 september 1999 had gehoord, heeft de Rechtbank bij beschikking van 21 oktober 1999 echtscheiding uitgesproken tussen partijen op 15 juni 1979 te [...] met elkaar gehuwd en bepaald dat de vrouw vanaf de dag waarop de beschikking voorzover daarbij de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, gedurende één jaar vanaf die dag aan de man voor levensonderhoud zal betalen de som van ƒ 1.500,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en de bijdrage van de vrouw na afloop van dat jaar op nihil bepaald.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

De vrouw heeft incidenteel beroep ingesteld.

Nadat het Hof op 14 maart 2000 partijen had gehoord, heeft het Hof bij tussenbeschikking, alvorens verder te beslissen, de vrouw toegelaten tot het leveren van bewijs dat de man inkomsten ontvangt uit werkzaamheden in de horeca.

Nadat het Hof bij tussenbeschikking van 23 mei 2000 de man in de gelegenheid had gesteld schriftelijk aan te tonen dat zijn behoefte aan een onderhoudsbijdrage ƒ 1.500,-- bedraagt, waarna de vrouw binnen twee weken mag reageren, heeft het Hof bij beschikking van 14 november 2000, beschikkende in het principaal en incidenteel hoger beroep, de bestreden beschikking voorzover aan het oordeel van het Hof onderworpen bekrachtigd en daarbij de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man bepaald op ƒ 1.500,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, vanaf de dag van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand en de bestreden beschikking vernietigd voorzover daarbij de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man is beperkt tot één jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en die bijdrage vanaf dat moment op nihil is bepaald.

De beschikkingen van het Hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 oktober 2001.