Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD3998

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
11-12-2001
Zaaknummer
R00/060HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD3998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 727
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 december 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/060HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

DE GEMEENTE 'S-GRAVENHAGE, zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 6 december 1994 ter griffie van het Kantongerecht te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht te bepalen dat:

1. de Gemeente een bedrag van ƒ 88.443,18 kan terugvorderen van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en van [betrokkene A];

2. de Gemeente maandelijks een bedrag van ƒ 500,-- kan invorderen van [verzoeker] en een bedrag van ƒ 500,-- van [betrokkene A], waarbij de een zal zijn gekweten voor de bedragen die door de ander op de gezamenlijke schuld afgelost zijn, totdat genoemd bedrag zal zijn voldaan;

3. beslag gelegd kan worden onder derden die gelden verschuldigd zijn of worden aan [verzoeker] en [betrokkene A] indien zij niet overgaan tot vrijwillige aflossing;

4. bij uitblijven van geregeld betalingen het saldo van de vordering terstond en ineens opeisbaar zal zijn.

Nadat de Kantonrechter bij tussenbeschikking van 31 januari 1995 een mondelinge behandeling had gelast, hebben [betrokkene A] en [verzoeker] het verzoek afzonderlijk bestreden. De Kantonrechter heeft bij beschikking van 9 januari 1996 bepaald dat de Gemeente van [verzoeker] kan terug vorderen een bedrag van ƒ 42.442,42 en het anders of meer gevorderde afgewezen.

Tegen deze beschikkingen heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 13 maart 2000 heeft de Rechtbank de bestreden beschikkingen bekrachtigd.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het gaat in deze zaak om de terugvordering in rechte door de Gemeente van kosten van bijstand, verleend aan [verzoeker] over de periode 1 januari 1989 tot 1 juli 1991. Naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van de Gemeente heeft de Kantonrechter bij beschikking van 9 januari 1996 bepaald dat de Gemeente een bedrag van ƒ 42.442,41, kan terugvorderen van [verzoeker]. De Rechtbank heeft deze beschikking bekrachtigd.

3.2 Het eerste middel stelt aan de orde de vraag of de Commissie Sociale Zekerheid van de Gemeente bevoegd was tot het nemen van het aan het door de Gemeente op 6 december 1994 ingediende verzoekschrift ten grondslag liggende besluit tot terugvordering in rechte. Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer onder 2.1 tot en met 2.5.

3.3.1 Het tweede middel bevat in onderdeel 5.3 de klacht dat de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 64 (oud) ABW door geen bedrag vast te stellen dat geregeld (maandelijks) door [verzoeker] aan de Gemeente zou moeten worden betaald, althans dat de door de Rechtbank gegeven motivering onbegrijpelijk is.

3.3.2 Art. 64 lid 1 (oud) ABW, dat ingevolge art. X van de Wet van 15 april 1992, Stb. 193, ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift nog gold, luidde:

'Indien het verhaal gemaakte kosten betreft, stelt de kantonrechter het bedrag vast dat, tot een aangegeven totaalsom, geregeld aan het verhalend lichaam zal worden voldaan. Hij kan een bedrag vaststellen dat terstond door het verhalend lichaam kan worden ingevorderd'.

3.3.3 De Rechtbank heeft naar aanleiding van het beroep van [verzoeker] op art. 64 (oud) ABW in rov. 3.10 overwogen, voor zover voor de beoordeling van het onderdeel van belang, dat zij niet beschikt 'over voldoende en actuele gegevens met betrekking tot de financiële situatie van [verzoeker], zodat aan de Gemeente kan worden overgelaten een maandelijks bedrag tot terugvordering vast te stellen'.

3.3.4 De Rechtbank heeft aldus in zoverre toepassing gegeven aan art. 64 lid 1 (oud) ABW dat zij de vraag onder ogen heeft gezien of een bedrag kon worden vastgesteld dat [verzoeker] maandelijks aan de Gemeente zou dienen te betalen, doch heeft geoordeeld dat die vraag bij gebreke van voldoende gegevens ontkennend moet worden beantwoord. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van art. 64 lid 1 (oud) ABW en is noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.

3.3.5 Uit het voorafgaande volgt dat het middel (de onderdelen 5.1 en 5.2 bevatten geen klachten) niet tot cassatie kan leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 december 2001.