Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD3986

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
16-11-2001
Zaaknummer
C99/316HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD3986
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 664
NJ 2002, 44 met annotatie van prof. mr. P.A. Stein
RvdW 2001, 179
JWB 2001/308
JAR 2001/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/316HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. A.G. Castermans.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 3 maart 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor het Kantongerecht te Groningen en - na vermeerdering van eis - gevorderd:

1. [eiseres] te veroordelen om aan [verweerder] te voldoen terzake van het te weinig betaald salaris voor de periode voorafgaand aan 1.1.1994 aan [verweerder] te voldoen een bedrag van ƒ 14.549,76, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7A:1638q BW alsmede met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

2. [eiseres] te veroordelen om aan [verweerder] voor de periode van 1.1.1994 tot 1.5.1994 te betalen, voor loon een bedrag van ƒ 19.285,-- onder aftrek van hetgeen reeds voor deze periode aan loon is voldaan, het uit dien hoofde verschuldigde te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 1638q BW alsmede met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

3a. voor recht te verklaren dat het [verweerder] per 1.5.1994 gegeven ontslag nietig is met veroordeling van [eiseres] aan [verweerder] het salaris van ƒ 4.287,-- per maand te blijven voldoen tot de datum waarop het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 1638q BW alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere loonbetalingstermijn, vanaf de datum dat [eiseres] met betaling ervan in verzuim is;

3b. subsidiair voor recht te verklaren dat het [verweerder] gegeven ontslag per 1.5.1994 kennelijk onredelijk is met veroordeling van [eiseres] aan [verweerder] te betalen een schadevergoeding van ƒ 30.000,--, zijnde twee maandsalarissen voor elk jaar dat het dienstverband heeft geduurd, derhalve twee maandsalarissen x 3,5 jaar = 7 maandsalarissen x ƒ 4.287,-- = afgerond ƒ 30.000,--;

4. voorwaardelijk, n.l. voor het geval de vordering hiervoor onder 3a niet wordt toegewezen, veroordeling van [eiseres] om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 4.914,88 terzake van niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 1638q alsmede de wettelijke rente vanaf 1.5.1994.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

Nadat de Kantonrechter bij tussenvonnis van 14 juni 1995 een comparitie van partijen had gelast, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 29 november 1995 [eiseres] toegelaten tot het leveren van bewijs. De Kantonrechter heeft bij eindvonnis van 18 december 1996:

A. voor recht verklaard dat het per 1 mei 1994 door [eiseres] aan [verweerder] gegeven ontslag nietig is;

B. [eiseres] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen:

1. terzake van het te weinig betaald salaris voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1994 aan [verweerder] te voldoen een bedrag van ƒ 14.549,76, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7A:1638q BW alsmede met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, 3 maart 1994, tot de dag van algehele voldoening;

2. terzake van loon over de periode van 1 januari 1994 tot 1 mei 1994 ƒ 19.285,-- onder aftrek van hetgeen reeds over deze periode aan loon is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3.met in gang van 1 mei 1994 tot heden ƒ 4.287,-- per maand te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover beperkt tot maximaal 10% en met de wettelijke rente over iedere loonbetalingstermijn, vanaf de datum dat [eiseres] met betaling ervan in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;

4. terzake van niet-genoten vakantiedagen ƒ 4.914,88, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 1994 tot de dag van algehele voldoening.

Tegen deze drie vonnissen heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.

Nadat de Rechtbank bij tussenvonnis van 13 maart 1998 aan [eiseres] een bewijsopdracht had gegeven, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 2 juli 1999 de bestreden vonnissen bekrachtigd.

De vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de vonnissen van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiseres] mede toegelicht door mr. A.J. Swelheim, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is op 3 december 1990 bij [eiseres] in dienst getreden in de functie van 1e tekenaar/bestekschrijver. [Eiseres] heeft aan [verweerder] steeds een salaris betaald van ƒ 3.500,-- bruto per maand.

(ii) Op 15 december 1993 heeft [eiseres] in verband met een teruglopende orderportefeuille een ontslagvergunning met betrekking tot [verweerder] aangevraagd bij de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening (verder: RDA). Tegelijkertijd heeft [eiseres] [verweerder] schriftelijk van deze ontslagaanvrage op de hoogte gesteld, stellende dat er geen werk meer was en dat er voor [verweerder] geen ander zou worden aangesteld.

(iii) Bij beslissing van 1 februari 1994 heeft de RDA [eiseres] toestemming verleend om het dienstverband met inachtneming van de art. 1639h (oud) BW e.v. met [verweerder] te beëindigen. De RDA heeft daarbij overwogen:

"De toestemming wordt verleend onder de voorwaarde, dat tot zes maanden na beëindiging van deze arbeidsverhouding geen werknemer/werkneemster in dienst wordt genomen voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard, alvorens degene voor wie hierbij toestemming voor ontslag wordt verleend, in de gelegenheid is gesteld, zijn/haar vroegere werkzaamheden op dezelfde of gunstiger voorwaarden dan laatstelijk voor hem/haar golden, te hervatten. Het niet naleven van deze voorwaarde heeft tot gevolg dat beëindiging van de arbeidsver-houding wordt geacht te zijn geschied zonder vergunning."

(iv) Krachtens het ten tijde van voormelde beslissing geldende art. 5 lid 2 van het Delegatiebesluit 1993 (Stcrt. 1993, 11), zoals gewijzigd bij besluit van 7 december 1993 (Stcrt. 1993, 241) mocht als voorwaarde voor de daarbij verleende toestemming uitsluitend worden gesteld:

"dat de werkgever binnen zesentwintig weken na de bekendmaking van die toestemming geen werknemer in dienst zal nemen voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard, dan nadat hij degene voor wie de toestemming tot ontslag wordt verleend, in de gelegenheid heeft gesteld zijn vroegere werkzaamheden op dezelfde of gunstiger voorwaarden als laatstelijk voor hem golden te hervatten."

(v) Nadat [verweerder] in de periode van 13 december 1993 tot 17 maart 1994 wegens ziekte geen werkzaamheden had verricht en aansluitend per 21 maart 1994 door [eiseres] op non-actief was gesteld, is het dienstverband door [eiseres] beëindigd per 1 mei 1994.

(vi) [Eiseres] heeft per 14 maart 1994 een nieuw personeelslid voor halve dagen in dienst genomen.

(vii) In verband daarmee heeft [verweerder] op 12 april 1994 de nietigheid van zijn ontslag ingeroepen.

3.2 [Verweerder] heeft in dit geding - voor zover in cassatie van belang - gevorderd een verklaring voor recht dat het hem gegeven ontslag nietig is en de veroordeling van [eiseres] tot doorbetaling van loon c.a. De Kantonrechter heeft de gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Tevens heeft hij de loonvordering toegewezen tot de datum van het eindvonnis, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover, beperkt tot maximaal 10%.

3.3 In hoger beroep heeft [eiseres] - voor zover in cassatie van belang - allereerst aangevoerd dat de voorwaarde zoals geformuleerd in de ontslagvergunning in strijd is met art. 5 lid 2 van het Delegatiebesluit 1993 en mitsdien nietig. De ontslagvergunning is derhalve, aldus [eiseres], onvoorwaardelijk verleend zodat van een nietig ontslag wegens schending van de voorwaarde geen sprake kan zijn. Dit betoog is door de Rechtbank verworpen in rov. 9.1 van haar tussenvonnis. Daartegen keert zich onderdeel 1. Voorts heeft [eiseres] aangevoerd dat de nieuwe werknemer reeds vóór het einde van de dienstbetrekking van [verweerder] in dienst is genomen en derhalve, aldus [eiseres], niet in strijd met de voorwaarde zoals geformuleerd in de ontslagvergunning, aangezien in die vergunning wordt uitgegaan van een zesmaandentermijn die pas aanvangt na het ontslag van [verweerder]. Tegen de verwerping van deze stelling keert zich onderdeel 2.

De Rechtbank heeft, na [eiseres] op een in cassatie niet meer van belang zijnd punt tot bewijs te hebben toegelaten, bij haar eindvonnis de bestreden vonnissen van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.4.1 Na voorop te hebben gesteld dat partijen - eerst thans in appel - allereerst twisten over de vraag of de ontslagvergunning als onvoorwaardelijk moet worden beschouwd, nu de door de RDA gestelde voorwaarde verder reikt dan bij het Delegatiebesluit 1993 toegestaan, heeft de Rechtbank geoordeeld dat de in 3.1 onder (iii) vermelde voorwaarde geldig is voor zover daarop een beroep gedaan wordt binnen de grenzen van de in 3.1 onder (iv) bedoelde voorwaarde (rov. 9.1). Gelet op de voor dit oor-deel gegeven motivering heeft de Rechtbank klaarblijkelijk, oordelend als zo-even weergegeven, de art. 3:41 en 42 BW bij wege van analogie toegepast.

3.4.2 Onderdeel 1a betoogt naar de kern genomen dat deze analogische toepassing van de art. 3:41 en 42 ontoelaatbaar is. Dit betoog faalt.

3.4.3 Nu het hier gaat om een aan de civielrechtelijke opzegging voorafgaande, en ingevolge art. 6 BBA vereiste, toestemming van de RDA, lenen de art. 3:41 en 42 zich voor - ingevolge de schakelbepaling van art. 3:59 mogelijke - analogische toepassing in een geval als het onderhavige.

Art. 6 BBA strekt ertoe in het belang zowel de betrokken werknemer als van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag te voorkomen; een voorwaarde als de onderhavige strekt tot behartiging van deze belangen (HR 3 mei 1991, nr. 14187, NJ 1991, 705). Gelet op deze strekking van art. 6 BBA en van een voorwaarde als hier aan de orde, kan aan de omstandigheid dat de voorwaarde op één onderdeel - het tijdstip van ingang van de zes maanden termijn - afwijkt van de door het Delegatiebesluit 1993 toegestane voorwaarde, niet de conclusie worden verbonden dat de toestemming geldt als onvoorwaardelijk gegeven. Veeleer ligt de conclusie voor de hand - een conclusie die ook door de Rechtbank is getrokken -, dat de voorwaarde in zoverre geldig is dat daarop een beroep kan worden gedaan binnen de door het Delegatiebesluit 1993 getrokken grenzen. De Rechtbank heeft dan ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 9.1 haar hiervoor in 3.4.1 weergegeven oordeel te motiveren met een beroep op "aard en strekking van de vergunning, het doel van de daaraan verbonden wederindiensttredingsvoorwaarde, het feit dat de thans bestreden voorwaarde slechts op één - deels ondergeschikt - onderdeel door een uit het verleden verklaarbare oorzaak afwijkend is geformuleerd, doch overigens naar aard en strekking identiek is aan de bij Delegatiebesluit toegestane voorwaarde, alsmede de omstandigheid dat er geen hoger beroep open staat tegen de beslissing van de RDA".

3.5 De door onderdeel 1b gesignaleerde feitelijke onjuistheden in de derde alinea van rov. 9.1 kunnen niet afdoen aan de deugdelijkheid van de door de Rechtbank gegeven motivering in de vierde alinea van rov. 9.1. Het onderdeel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.6 Zoals in 3.4.4 is overwogen, strekt een voorwaarde als de onderhavige ertoe sociaal ongerechtvaardigd ontslag te voorkomen. Voorts heeft de Rechtbank - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat de bedoeling van de voorwaarde steeds voor beide partijen duidelijk is geweest. Tegen de achtergrond hiervan heeft de Rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 9.4 te oordelen - zakelijk weergegeven - dat de omstandigheid dat [eiseres] de nieuwe werknemer reeds in dienst had genomen na ontvangst van de ontslagvergunning maar voordat zij hiervan gebruik maakte en derhalve niet in strijd met de letter van de daaraan verbonden voorwaarde, niet eraan in de weg staat dat [verweerder] zich op het vervuld zijn van deze voorwaarde mocht beroepen. Dit oordeel is tegen voormelde achtergrond ook niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Hierop stuit onderdeel 2 geheel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 327,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 16 november 2001.