Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD3978

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
16-11-2001
Zaaknummer
C01/051HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD3978
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 674
NJ 2002, 401 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2001, 184
JWB 2001/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C01/051HR

MP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

AJAX FIRE PROTECTION SYSTEMS B.V. (v/h genaamd Ajax Brandbeveiliging B.V.), gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2],

3. [Verweerster 3],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Ajax - heeft bij exploit van 22 september 1997 verweerders in cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Dordrecht en gevorderd [verweerder] c.s. te veroordelen - hoofdelijk in dier voege dat indien de één betaalt de anderen zullen zijn gekweten - om aan Ajax tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma ad ƒ 32.902,20, te vermeerderen met de contractuele rente over de hoofdsom en incassokosten vanaf 4 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bij conclusie van antwoord hebben [verweerder] c.s. de vordering bestreden en in reconventie gevorderd:

a. Ajax te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen een bedrag ad ƒ 40.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 1994 tot het tijdstip der algehele voldoening;

b. Ajax te veroordelen tot nakoming van zijn verplichtingen, bestaande uit het leveren en installeren van een sprinklerinstallatie, welke is uitgevoerd als een beveiliging van de eerste graad op grond waarvan een certificaat van deugdelijkheid kan worden afgegeven een en ander gebaseerd op de Voorschriften voor Automatische Sprinklerinstallaties, zoals genoemd in het Programma van Eisen nummer 93/1895/6343, door Ajax uitgevoerd binnen 90 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,-- voor iedere dag dat Ajax in gebreke is gebleven aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van ƒ 150.000,--.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 januari 1998 een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 16 februari 1998.

Ajax heeft de vordering in reconventie bestreden.

De Rechtbank heeft bij eindvonnis van 17 november 1999 in conventie [verweerder] c.s. veroordeeld tot betaling van ƒ 32.902,20, vermeerderd met de contractuele rente over een bedrag van ƒ 27.603,87 vanaf 4 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening en in reconventie Ajax veroordeeld tot nakoming van zijn verplichtingen, bestaande uit het leveren en installeren van een sprinklerinstallatie, welke is uitgevoerd als een beveiliging van de eerste graad op grond waarvan een certificaat van deugdelijkheid kan worden afgegeven een en ander gebaseerd op de Voorschriften voor Automatische Sprinklerinstallaties, zoals genoemd in het Programma van Eisen nummer 93/1895/6343, door Ajax uitgevoerd binnen 90 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,-- voor iedere dag dat Ajax in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van ƒ 150.000,--.

Bij exploit van 16 februari 2000 heeft Ajax aan [verweerder] c.s. aangezegd dat zij van het eindvonnis van de Rechtbank in hoger beroep komt en [verweerder] c.s. gedagvaard om ter zitting van 25 mei 2000 van het Gerechtshof te 's-Gravenhage te verschijnen.

Voor het verdere verloop van het geding in hoger beroep verwijst de Hoge Raad naar het hierna in 3.1 onder (ii)-(iv) overwogen.

2. Het geding in cassatie

Tegen de hierna in 3.1 onder (iii) vermelde beslissing van de rolraadsheer en de hierna in 3.1 onder (vi) vermelde uitspraak van het Hof vervat in de brief van de griffier van het Hof van 25 oktober 2000 op het verzoek tot herziening van de beslissing van het Hof van 14 september 2000, heeft Ajax beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet-verschenen [verweerder] c.s. is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en terugverwijzing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Bij exploit van 16 februari 2000 heeft Ajax aan [verweerder] c.s. aangezegd dat zij van het onder 1 vermelde vonnis van de Rechtbank van 17 november 1999 in hoger beroep komt en [verweerder] c.s. gedagvaard ter zitting van het Hof van 25 mei 2000.

(ii) Ajax heeft vervolgens verzuimd de zaak bij het Hof aan te brengen door inschrijving daarvan op de rol van 25 mei 2000. Bij herstelexploit van 6 juni 2000 heeft zij daarom de appeldagvaarding van 16 februari 2000 opnieuw aan [verweerder] c.s. doen betekenen en [verweerder] c.s. onder handhaving daarvan gedagvaard om thans te verschijnen ter zitting van het Hof van 14 september 2000.

(iii) Blijkens het audiëntieblad van de zitting van 14 september 2000 heeft de rolraadsheer op die zitting medegedeeld dat de zaak niet ingeschreven kan worden omdat de laatste bladzijde van het originele herstelexploit ontbreekt. Het audiëntieblad vermeldt als rolnummer 2000/976.

(iv) Bij brief van 20 september 2000 heeft de procureur van Ajax de rolraadsheer verzocht deze beslissing te herzien en de zaak alsnog op de rol van 14 september 2000 te plaatsen. Deze brief luidde - voor zover van belang - als volgt:

"Opgemelde zaak liet ik op 13 september jl. ter inschrijving op de rol plaatsen van 14 september 2000 onder overlegging van afschriften van de appèldagvaarding en het rectificatie-exploit.

Op de dag van de rolzitting heb ik de originele bescheiden voor de zitting bij de griffie van Uw Hof laten bezorgen.

Na afloop van de rolzitting vernam ik dat de zaak alsnog niet werd ingeschreven omdat het laatste blad van het herstelexploit ontbrak.

Nu het uitbrengen van een nieuw herstelexploit blijkens de jurisprudentie niet tot de mogelijkheden behoort wordt appellante wel zeer zwaar geschaad in haar belangen.

Gelet op het feit dat de bewuste bladzijde wel in het griffiedossier zat en daaruit kan worden opgemaakt dat het herstelexploit aan de vereisten van de wet voldoet moge ik U verzoeken Uw beslissing te herzien en de zaak alsnog op de rol te plaatsen van 14 september 2000.

Het originele appèlexploit en het rectificatie-exploit treft U bijgaand aan."

(v) Ajax heeft bij herstelexploit van 28 september 2000, waarin is vermeld dat van de zijde van het Hof op 28 september 2000 telefonisch aan Ajax werd medegedeeld dat de beslissing niet werd herzien en de inschrijving geweigerd bleef, het herstelexploit van 6 juni 2000 nogmaals aan [verweerder] c.s. laten betekenen en hen thans gedagvaard om op 14 december 2000 ter zitting van het Hof te verschijnen. Navraag door de Advocaat-Generaal Wesseling-van Gent heeft geleerd dat de zaak toen onder rolnr. 2000/1298 is ingeschreven op de rol en dat zij op de zitting van 17 mei 2001 is verwezen naar de zogenoemde slaaprol.

(vi) Naar aanleiding van het onder (iv) vermelde verzoek heeft de griffier van het Hof de procureur van Ajax bij brief van 25 oktober 2000 het volgende medegedeeld:

"Bovengenoemde zaak is door u ingediend ter inschrijving op de rol van 14 september 2000.

Ter rolle bleek echter dat niet het volledige herstelexploit was ingediend, waardoor niet kon worden geverifieerd tegen welke rechtsdag werd opgeroepen. De zaak (lees: kon) daarom niet worden ingeschreven. Hierop zijn de stukken aan u geretourneerd. Aangezien de zaak niet is ingeschreven is er geen griffiedossier aangelegd.

Ten aanzien van uw verzoek om de zaak alsnog op de rol te plaatsen, bericht ik u dat zulks niet mogelijk is nu de termijn voor het aanbrengen inmiddels is verstreken."

3.2 Het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.1 onder (iii) vermelde beslissing van 14 september 2000 die is aan te merken als een arrest, en de hiervoor in 3.1 onder (vi) vermelde brief van de griffier van 25 oktober 2000 die te gelden heeft als een beslissing van de rolraadsheer, en eveneens moet worden aangemerkt als een arrest. Onderdeel 2, dat is gericht tegen de beslissing van 14 september 2000, klaagt dat het Hof ten onrechte inschrijving op de rol heeft geweigerd op de grond dat één bladzijde van het originele herstelexploit ontbrak.

3.3 Het Hof heeft zijn beslissing kennelijk gegrond op de bepaling in art. 2.1a van het op 1 maart 2000 in werking getreden Rolreglement voor het procederen in civiele zaken van het Hof (gepubliceerd in Stcrt. 2000, nr. 8), inhoudende, voor zover hier van belang, dat de procureur van appellant bij het inschrijven van een nieuwe zaak ter griffie dient over te leggen de originele dagvaarding in hoger beroep en, zo nodig, een origineel herstelexploit.

3.4 Hoewel de wet niet met zoveel woorden de eis stelt dat inschrijving van een zaak ter rolle slechts kan geschieden tegen overlegging van de originele en complete dagvaarding en het origineel van een eventueel herstelexploit, strookt het stellen van deze eis met de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Aldus wordt de rolrechter in staat gesteld om vóór de rolzitting in verband met een eventueel te verlenen verstek te beoordelen of de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen evenwel, in aanmerking genomen de ingrijpende gevolgen die een weigering de zaak ter rolle in te schrijven kan hebben, tevens mee dat aan de eiser de mogelijkheid wordt geboden verzuimen met bekwame spoed te herstellen.

In overeenstemming met dit een en ander bepaalt art. 3 lid 1 van het Landelijk reglement van de civiele rol bij de rechtbanken (gepubliceerd in Stcrt. 2000, nr. 124) dat bij de inschrijving van een nieuwe zaak de originele dagvaarding plus een kopie moet worden overgelegd, en geeft lid 2 van deze bepaling de eiser die hieraan niet heeft voldaan, een termijn van twee weken na de roldatum (met de mogelijkheid van verlenging op grond van klemmende redenen) om dit verzuim te herstellen.

Deze mogelijkheid van herstel strookt ook met de in de wet (art. 94 Rv.) gegeven en in de rechtspraak ontwikkelde mogelijkheid van herstel van gebreken in de dagvaarding en de in de rechtspraak ontwikkelde mogelijkheid van herstel van het verzuim de zaak tijdig ter rolle in te schrijven.

3.5 De op het vorenoverwogene gerichte klachten van onderdeel 2 zijn derhalve gegrond. Nu het Hof bij zijn beslissing van 14 september 2000 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, komt daarmee ook de grond te ontvallen aan de daarop voortbouwende beslissing van 25 oktober 2000. Het tegen deze beslissing gerichte onderdeel 3 behoeft derhalve geen behandeling.

3.6 Nu [verweerder] c.s. de bestreden beslissingen niet hebben uitgelokt noch in cassatie hebben verdedigd, zal de Hoge Raad de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie reserveren tot de einduitspraak, waarbij de kosten zullen worden gebracht ten laste van de partij die daarbij in het ongelijk zal worden gesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 september en 25 oktober 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dit Hof;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op deze uitspraak in cassatie aan de zijde van Ajax op ƒ 751,42 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweerder] c.s. op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 16 november 2001.