Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD3972

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
23-11-2001
Zaaknummer
C00/144HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD3972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, 's-Gravenhage, 04-05-1971
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 690
NJ 2002, 281 met annotatie van Th.M. de Boer
RvdW 2001, 190
VR 2002, 76
JWB 2001/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/144HR

MP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

3. [Eiseres 3],

allen wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

voorwaardelijk incidenteel verweerders,

advocaat: mr. M.V. Polak,

t e g e n

1. DE STICHTING PENSIOENFONDS ABP, gevestigd te Heerlen,

2. HET FONDS ARBEIDSONGESCHIKTHEIDS- VERZEKERING OVERHEIDSPERSONEEL (FAOP), gevestigd te Heerlen,

3. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen),

zetelende te 's-Gravenhage,

4. [Verweerster 4], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

voorwaardelijk incidenteel eisers,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder ook te noemen: ABP c.s. - hebben bij exploiten van 26 juli 1996 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd te verklaren dat [eiser] c.s., in persoon en als wettelijk vertegenwoordigers, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het aan verweerster in cassatie sub 4 - verder te noemen: [verweerster 4] - overkomen ongeval d.d. 26 maart 1989 te Zillertal (Oostenrijk).

[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 april 1998 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben ABP c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 26 januari 2000 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van ABP c.s. met de onder 4.6.1 en 4.6.2 van zijn arrest vermelde doeleinden.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. ABP c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 18 september 2001 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 26 maart 1989 heeft in het skigebied Hochfügen in het Zillertal in Oostenrijk een ongeval plaatsgevonden.

(ii) [Eiseres 3], geboren [geboortedatum] 1978, destijds derhalve 10 jaren oud, maakte met haar vader, [eiser 1], naast haar gebruik van de sleeplift Pfaffenbühel II. De moeder van [eiseres 3] bevond zich enige plaatsen achter [eiser 1] en [eiseres 3] in de sleeplift.

(iii) Ongeveer halverwege het lifttracé is [eiseres 3] ten val gekomen en over het verijsde en steile liftspoor naar beneden gegleden. [Eiseres 3] heeft personen die achter haar van de lift gebruik maakten in haar val mee naar beneden genomen.

(iv) Een aantal liftgebruikers is gewond geraakt. Eén van hen, [verweerster 4], heeft hierdoor schade geleden.

(v) ABP, FAOP en de Staat hebben aan [verweerster 4] uit hoofde van haar rechtspositie en in verband met het ongeval uitkeringen gedaan en hebben in verband hiermee een verhaalsrecht voor de hieraan verbonden kosten op grond van onderscheidenlijk de Wet privatisering ABP, de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren en de WAO.

3.2 In het onderhavige geding hebben ABP c.s. gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat [eiser] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [verweerster 4] heeft geleden als gevolg van het skiongeval. De Rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

3.3 Het Hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen. Naar 's Hofs oordeel is de zogenaamde Cova-exceptie (vgl. HR 19 november 1993, nr. 15066, NJ 1994, 622) van toepassing, nu zowel de woonplaats van [eiseres 3] als de woonplaats van [verweerster 4] in Nederland gelegen is. Ook de rechtsgevolgen van de gestelde onrechtmatige daad spelen zich geheel in Nederland af. Het feit dat ook enkele in Duitsland wonende personen ten gevolge van het ongeval gewond zijn geraakt, doet daaraan niet af. In dit verband overweegt het Hof ook dat de advocaat van [eiser] c.s. ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep desgevraagd heeft medegedeeld dat [verweerster 4] het enige slachtoffer is dat [eiser] c.s. aansprakelijk heeft gesteld.

Dit leidt tot het oordeel dat alle elementen van de onrechtmatige daad worden beheerst door Nederlands recht als het recht van het gevolgenland. Bij de beoordeling of onrechtmatig is gehandeld zullen echter eventuele in Oostenrijk geldende gedragsregels voor het gebruik van sleepliften als factor bij de toepassing van het Nederlandse recht in aanmerking moeten worden genomen (rov. 4.2.1 en 4.2.2).

Het Hof heeft de vraag onder ogen gezien of het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Verdrag van 4 mei 1971, Trb. 1971, 118 en Trb. 1978, 180, hierna: het Verkeersongevallenverdrag) van toepassing is en heeft geoordeeld dat de sleeplift, die bij het ongeval is betrokken, zou kunnen worden aangemerkt als een voertuig. Naar 's Hofs oordeel is art. 3 van het Verkeersongevallenverdrag in dit geval niet van toepassing, aangezien voor toepasselijkheid van dit verdrag is vereist dat sprake is van een "ongeval (…...) dat verband houdt met het verkeer", en te dezen niet is gebleken dat het steile lifttracé is gelegen "op een voor het publiek toegankelijk terrein dan wel een terrein dat slechts toegankelijk is voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen." (rov. 4.2.3).

3.4 Middel I is gericht tegen 's Hofs oordelen in rov. 4.2.3. Onderdeel 1 van het middel betoogt dat art. 1 lid 2 van het Verkeersongevallenverdrag zo ruim is geformuleerd dat daaronder is begrepen het tracé van een door een vaste kabelinstallatie voortbewogen sleeplift, nu dit tracé moet worden aangemerkt als behorende tot de "terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek", althans tot de terreinen die "slechts [toegankelijk zijn] voor een beperkt aantal personen, die recht hebben om er te komen", welk recht voortvloeit uit het toegangsbewijs tot de sleeplift. Onderdeel 2 van het middel houdt in dat in-dien het Hof op grond van bijzondere omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat het tracé van de onderhavige sleeplift niet kan worden aangemerkt als behorende tot de vermelde terreinen, 's Hofs oordeel onvoldoende is gemotiveerd.

3.5 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het Verkeersongevallenverdrag van toepassing is, indien het gaat om een ongeval in het wegverkeer, hetgeen betekent, zoals volgt uit art. 1, een ongeval waarbij één of meer al dan niet gemotoriseerde voertuigen zijn betrokken en dat verband houdt met verkeer op de openbare weg, op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen.

Uit de toelichting op het Verdrag, zoals neergelegd in het Rapport explicatif van E.W. Essén (Conférence de la Haye de droit international privé, Actes et documents de la Onzième session, Tome III, p. 200 e.v.), moet worden afgeleid dat de gebruikte begrippen ruim moeten worden uitgelegd. Dienovereenkomstig betoogt het middel dat "het begrip 'terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen' vrijwel iedere plaats bestrijkt waar zich een voertuig - in casu: de sleeplift - kan bevinden." Ook als met het middel wordt aangenomen dat het tracé van de sleeplift onder de omschrijving van art. 1, tweede lid, van het Verdrag valt, moet nog de vraag worden beantwoord of de sleeplift een voertuig is dat betrokken is bij een ongeval dat verband houdt met het verkeer (in de authentieke Franse resp. Engelse tekst: "tout accident concernant un ou des véhicules, automoteurs ou non, et qui est lié à la circulation", "an accident which involves one or more vehicles, whether motorized or not, and is connected with traffic"). Zoals blijkt uit de passage van het Rapport explicatif, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda onder 12, heeft men het woord "concernant" gekozen om de toepasselijkheid van het Verdrag niet te beperken tot het geval dat een voertuig het ongeval actief bewerkstelligd heeft, maar daaronder ook te doen vallen situaties waarin een passief voertuig schade heeft veroorzaakt of ondergaan.

Nu uit de vaststelling van de feiten door het Hof volgt dat de sleeplift het ongeval niet heeft veroorzaakt, en evenmin zelf schade heeft opgelopen, kan niet worden aangenomen dat de sleeplift een voertuig is dat in de zin van het Verdrag "betrokken" is bij een ongeval.

Ook de strekking van het Verdrag noopt niet tot de slotsom dat het in een geval als het onderhavige toepasselijk is. Het Verdrag beoogt een regeling te geven met betrekking tot ongevallen in het wegverkeer. Ook al worden in het Verdrag met het begrip weg op één lijn gesteld de in art. 1, tweede lid, aan het slot genoemde terreinen en moet volgens het Rapport explicatif het begrip verkeer ruim worden opgevat, het zou een overspanning van de strekking van het Verdrag en de daarin gebezigde begrippen zijn een skiongeval als het onderhavige te beschouwen als een ongeval dat verband houdt met het wegverkeer.

Het middel kan derhalve bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.6 Middel II is gericht tegen rov. 4.2.1. Het klaagt dat de gevolgenuitzondering slechts kan worden aangenomen in een geval waarbij één dader dan wel twee of meer daders enerzijds tegenover één benadeelde dan wel twee of meer benadeelden anderzijds staan en alle betrokken partijen hun gewone verblijfplaats dan wel plaats van vestiging hebben in dezelfde staat en de rechtsgevolgen zich geheel in deze staat afspelen, en derhalve niet in een geval als het onderhavige van toepassing is.

Het middel acht dan ook wel van belang dat er naast [verweerster 4] nog andere slachtoffers zijn die in Duitsland wonen en betoogt voorts dat het Hof heeft verzuimd om in zijn overwegingen het gegeven te betrekken dat mogelijkerwijze, behalve [eiseres 3], de in Oostenrijk gevestigde exploitant van de sleeplift aansprakelijk is en dat [eiser] c.s. er een gerechtvaardigd belang bij hebben om, indien zij in het onderhavige geding op grond van Nederlands recht aansprakelijk zouden worden geacht jegens [verweerster 4], in staat te zijn een poging te doen regres te nemen jegens deze mededader. Deze mogelijkheid wordt aan hen ontnomen, naar het middel betoogt, nu zal worden aangenomen dat te dezen Oostenrijks recht van toepassing is, volgens welk recht iedere aanspraak op schadevergoeding reeds was verjaard toen [eiser] c.s. in dit geding werden betrokken.

3.7.1 Naar Nederlands internationaal privaatrecht worden verbintenissen uit onrechtmatige daad, behoudens rechtskeuze, in beginsel beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft op deze hoofdregel een uitzondering aanvaard nu dader en benadeelde beiden hun woonplaats hebben in een andere Staat dan die waar de onrechtmatige daad is gepleegd, en de rechtsgevolgen van die daad zich geheel in die andere Staat afspelen. Een en ander is in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad heeft aanvaard in zijn arrest van 19 november 1993, nr. 15066, NJ 1994, 622 en is ook neergelegd in art. 3 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Wet van 11 april 2001, Stb. 190).

Het middel bestrijdt dit terecht niet, maar betoogt wel dat de gevolgenuitzondering op de hiervoor in 3.6 weergegeven gronden in het onderhavige geval niet toepasselijk is.

3.7.2 Voor de toepasselijkheid van de gevolgenuitzondering is vereist dat dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats hebben, maar niet ook dat zij zelf als procespartij in het geding optreden: voldoende is dat het in de procedure gaat om de aansprakelijkheid van deze dader voor de door deze benadeelde geleden schade. De om-standigheid dat er nog andere - eventuele - daders en/of benadeelden zijn, die in een andere Staat hun gewone verblijfplaats hebben, staat niet aan toepasselijkheid van de gevolgenuitzondering in de weg, wanneer de procedure geen betrekking heeft op de aansprakelijkheid van deze daders of de aansprakelijkheid jegens deze benadeelden. Anders dan het middel betoogt, noopt noch de rechtszekerheid noch de voorspelbaarheid ertoe ook voor dat geval, met het oog op het belang dat de rechtsverhoudingen tussen alle - mogelijke - daders en alle - mogelijke - benadeelden door hetzelfde recht worden beheerst, af te zien van toepasselijkheid van de gevolgenuitzondering, reeds omdat niet zonder meer ervan kan worden uitgegaan dat een procedure waarin de mededaders en/of medebenadeelden wèl zijn betrokken voor de Nederlandse rechter zal worden gevoerd, en zo dit niet het geval is, de beantwoording van de vraag welk recht zal worden toegepast, afhangt van het voor de buitenlandse rechter geldende internationaal privaatrecht. Evenmin kan de in het middel naar voren gebrachte opvatting worden aanvaard, dat een gerechtvaardigde bescherming van [eiser] c.s. meebrengt dat de tegen hen gerichte vordering wordt beoordeeld naar hetzelfde recht als hun eventuele regresvordering tegen de Oostenrijkse liftexploitant - welke vordering reeds zou zijn verjaard - zodat op die grond de gevolgenuitzondering buiten toepassing moet blijven en hun aansprakelijkheid moet worden beoordeeld naar Oostenrijks recht. De gevolgenuitzondering is immers niet gebaseerd op het begunstigingsbeginsel, maar op het beginsel van de nauwste betrokkenheid.

Het middel is derhalve in al zijn onderdelen tevergeefs voorgesteld.

3.8 Onderdeel 1 van middel III wordt tevergeefs aangevoerd, omdat het ervan uitgaat dat te dezen Oostenrijks recht van toepassing is, hetgeen blijkens het voorgaande niet juist is.

Onderdeel 2 van middel III, dat inhoudt dat het Hof in zijn rov. 4.7 en 4.7.1 geen dan wel onvoldoende onderscheid maakt tussen het enkele "condicio sine qua non-verband" en "toerekening naar redelijkheid" overeenkomstig art. 6:98 BW, berust op een onjuiste lezing van 's Hofs arrest, nu het Hof hier klaarblijkelijk het oog heeft op het condicio sine qua non-verband, en, anders dan het onderdeel veronderstelt, uitsluitend het verweer heeft verworpen dat, nu sprake zou zijn geweest van twee valpartijen, zodanig verband niet bestaat. Het onderdeel kan derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.9 Aangezien de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld niet is vervuld, behoeft dit beroep geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt eisers tot cassatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerders in cassatie begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 23 november 2001.