Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD3957

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
14-12-2001
Zaaknummer
C00/059HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD3957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 751
JWB 2001/360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 december 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/059HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

TEXTILES PRINTING INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,

t e g e n

1. AIRPOINT HOLLAND VOF, gevestigd te Amsterdam,

2. [Verweerder 2], vennoot van voornoemde VOF, wonende te [woonplaats],

3. [Verweerder 3], vennoot van voornoemde VOF, wonende te [woonplaats],

4. TEXCO B.V., gevestigd te Enschede,

5. KOBEFAB INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Valkenswaard,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: TPI - heeft bij exploit van 9 mei 1996 verweerders in cassatie - verder te noemen: Airpoint c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd:

Primair

Airpoint c.s. hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn gekweten, te veroordelen tot betaling aan TPI tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag ad ƒ 450.889,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 december 1994 alsmede de door TPI gemaakte buitengerechte-lijke incassokosten ad ƒ 3.290,--;

Subsidiair

Airpoint gezamenlijk ieder voor een gelijk deel te veroordelen tot betaling aan TPI c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag ad ƒ 450.889,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 december 1994 alsmede de door TPI gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad ƒ 3.290,--;

Meer subsidiair

Airpoint c.s. ieder voor zich te veroordelen tot betaling aan TPI tegen behoorlijk bewijs van kwijting van dat deel van de totale schade ad ƒ 450.889,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 december 1994 alsmede de door TPI gemaakte buitengerechtelijke incassokosten af ƒ 3.920,-- waarvoor Airpoint c.s. ieder afzonderlijk in redelijkheid jegens TPI aansprakelijk is.

Airpoint c.s. hebben de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 27 mei 1998 een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis hebben Airpoint c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 14 oktober 1999 heeft het Hof het tussenvonnis van 27 mei 1998 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van TPI afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft TPI beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Airpoint c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Op verzoek van verweersters in cassatie sub 1, 4 en 5 (verder: de vennootschappen) heeft de rechtbank te Haarlem bij vonnis van 13 december 1994 TPI in staat van faillissement verklaard. In hoger beroep heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis evenwel vernietigd en de faillissementsaanvrage alsnog afgewezen.

(ii) In het onderhavige geding vordert TPI de (hoofdelijke) veroordeling van Airpoint c.s. tot betaling van ƒ 450.889,50 als vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van het door de rechtbank te Haarlem uitgesproken faillissement. Aan haar vordering heeft TPI ten grondslag gelegd dat de vennootschappen jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld omdat zij het faillissement hebben uitgelokt terwijl zij wisten dan wel behoorden te weten dat de faillissementsaanvrage op onjuiste gronden berustte.

(iii) De Rechtbank heeft de faillissementsaanvrage onrechtmatig geoordeeld en Airpoint c.s. hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de door TPI als gevolg van deze aanvrage en de daarop gevolgde beslissing geleden schade. Teneinde meer inlichtingen te krijgen over de door TPI gestelde schade heeft de Rechtbank een comparitie van partijen gelast.

(iv) Met betrekking tot de onrechtmatigheidsvraag heeft de Rechtbank in rov. 4 vooropgesteld dat iemand die het dwangmiddel van de faillissementsaanvrage gebruikt, dit op eigen risico doet, en geoordeeld dat nu het vonnis tot faillietverklaring in hoger beroep is vernietigd, de vennootschappen gehouden zijn de schade te vergoeden die TPI heeft geleden ten gevolge van het verzoek en de daarop gevolgde beslissing, behoudens bijzondere omstandigheden die niet naar voren zijn gekomen.

(v) Het Hof heeft op het hoger beroep van Airpoint c.s het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de vorderingen van TPI alsnog afgewezen.

(vi) Daartoe heeft het Hof als volgt geoordeeld.

"4.3 In het eerste onderdeel van grief 1 betogen [Airpoint c.s.] dat er anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in de onderhavige zaak wel degelijk sprake is van zodanige bijzondere omstandig- heden dat het dwangmiddel van de faillissementsaanvrage niet op eigen risico is gebruikt, althans dat de beweerdelijke schadelijke gevolgen van dat risico niet aan Airpoint c.s. moeten worden toegerekend.

4.4 De grief treft doel. Naar het oordeel van het hof is de schade die de faillissementsaanvrage zou hebben veroorzaakt, in overheersende mate een gevolg van aan TPI toe te rekenen omstandigheden die moeten meebrengen dat de schade volledig voor rekening van TPI dient te blijven."

In rov. 4.9 komt het Hof vervolgens tot de slotsom dat in het licht van de in de rov. 4.5 - 4.8 opgesomde en uitgewerkte omstandigheden de gevolgen van het aanvragen van het faillissement van TPI door de vennootschappen niet aan Airpoint c.s. kunnen worden toegerekend, zodat grief 1 derhalve slaagt. Bij behandeling van het tweede onderdeel van grief 1 en van de grieven 2 en 3 hebben Airpoint c.s. geen belang meer zodat bespreking daarvan achterwege kan blijven, aldus het Hof in rov. 4.10.

(vii) Grief 2 luidt: "ten onrechte neemt de rechtbank in het vonnis (…) impliciet aan dat tussen de beweerdelijk door TPI geleden schade en de aansprakelijkheid van appellanten enig causaal verband bestaat."

3.2 Naar blijkt uit het hiervóór in 3.1 overwogene strekte grief 1 in het eerste door het Hof gegrond bevonden onderdeel uitsluitend ten betoge dat, anders dan de Rechtbank had geoordeeld, wel degelijk sprake was van bijzondere omstandigheden die tot gevolg hadden dat het aanvragen van het faillissement van TPI door de vennootschappen niet als onrechtmatig moest worden aangemerkt. Tegen de achtergrond hiervan en in aanmerking genomen dat de niet behandelde grief 2 betrekking had op de vraag of er causaal verband bestond tussen het handelen van Airpoint c.s. en de door TPI geleden schade, moet worden aangenomen dat het Hof in rov. 4.4 uitsluitend het oog heeft gehad op de - door het Hof bevestigend beantwoorde - vraag of sprake was van aan TPI toe te rekenen omstandigheden die tot gevolg hadden dat het aanvragen door de vennootschappen van het faillissement van TPI niet als onrechtmatig moest worden aangemerkt.

Middel 1, dat kennelijk ervan uitgaat dat het Hof de handelwijze van de vennootschappen wèl onrechtmatig heeft geoordeeld, doch de vordering van TPI heeft afgewezen hetzij wegens het ontbreken van causaal verband tussen de handelwijze van de vennootschappen en de door TPI geleden schade, hetzij wegens "eigen schuld" van TPI, moet derhalve reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

3.3 De in de middelen 2 - 6 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt TPI in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Airpoint c.s. begroot op ƒ 9.507,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 14 december 2001.