Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD3956

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
C00/057HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD3956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 737
JWB 2001/349
JOR 2002/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 december 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/057HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 1 september 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te Dordrecht en gevorderd - na wijziging van eis - [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ad ƒ 279.137,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 1995, althans vanaf 27 maart 1996, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van de drie conservatoire beslagen.

Bij conclusie van antwoord heeft [verweerster] de vordering bestreden en in reconventie - na vermindering van eis - gevorderd [eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van ƒ 1.994,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag waarop de reconventionele vordering is ingesteld.

[Eiseres] heeft de vordering in reconventie bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 9 april 1997 in conventie [eiseres] tot bewijs toegelaten dat [verweerster] de drukpersen onjuist c.q. onzorgvuldig heeft doen demonteren, vervoeren en opslaan en zowel in conventie als in reconventie iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij memorie van antwoord heeft [eiseres] incidenteel beroep ingesteld.

Bij arrest van 28 september 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd, en opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. F. Damsteegt.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense onder 8-13 niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 7.417,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, H.A.M. Aaftink, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 december 2001.