Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD3942

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
C00/022HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD3942
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 178
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 605
JWB 2001/288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/022HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [De man], wonende te [woonplaats],

2. VITRONIC HOLDING B.V., gevestigd te Breda,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploit van 3 oktober 1996 eisers tot cassatie - verder te noemen: de man en Vitronic - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en - voorzover in cassatie van belang - gevorderd de man en Vitronic hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan de vrouw te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

De man en Vitronic hebben de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 14 oktober 1997 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 13 oktober 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van de vrouw toegewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben de man en Vitronic beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen vrouw is verstek verleend.

De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een ander Gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vrouw en de man zijn op 23 oktober 1965 gehuwd. Hun huwelijk is op 23 december 1986 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het op 10 november 1986 door de rechtbank te Rotterdam tussen hen gewezen echtscheidingsvonnis.

(ii) De man is enig directeur/aandeelhouder van Vitronic.

(iii) Sedert 1 december 1973 heeft Vitronic een pensioenvoorziening opgebouwd ten behoeve van de man. De pensioenvoorziening omvat mede een weduwepensioen. De aanspraak daarop wordt gedekt door een daartoe afgesloten verzekering bij Nationale Nederlanden.

(iv) Bij het tussen de vrouw en de man in juli 1986 overeengekomen echtscheidingsconvenant is onder meer bepaald: "De man zal zorgdragen dat de aanspraken van de vrouw op een bijzonder weduwepensioen krachtens een bestaande verzekering bij Nationale Nederlanden in een pensioenbrief voor haar wordt bevestigd".

3.2 De vrouw, zich op het standpunt stellende dat het haar toegekende weduwepensioen op een onjuiste pensioengrondslag is vastgesteld, heeft primair gevorderd dat de man en Vitronic hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de daardoor door haar geleden schade, op te maken bij staat. De vrouw betoogt dat de pensioen- voorziening wordt bepaald door een pensioenbrief van 1 december 1973 van Vitronic aan de man en de in aansluiting daarop afgesloten verzekering bij Nationale Nederlanden. Zij stelt dat zij op grond van de pensioenbrief, die Vitronic verplichtte de pensioengrondslag aan te passen bij verhoging van het jaarsalaris van de man, ten tijde van het opmaken van het echtscheidingsconvenant ervan mocht uitgaan dat de pensioengrondslag gebaseerd was op het in 1986 door de man genoten jaarsalaris (ƒ 140.580,--) en niet, zoals het geval bleek te zijn, op het in 1979 door de man genoten jaarsalaris (ƒ 81.000,--).

3.3 De Rechtbank heeft de vordering van de vrouw afgewezen. Zij oordeelde dat het bestaan van een pensioentoezegging van Vitronic aan de man overeenkomstig de pensioenbrief van 1 december 1973 niet kan worden aangenomen, omdat die pensioenbrief niet door Vitronic is ondertekend, en de man en Vitronic die toezegging ontkennen.

3.4 In hoger beroep heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de primaire vordering van de vrouw toegewezen. Daartoe werd, kort samengevat, als volgt overwogen:

(a) Op grond van een drietal omstandigheden zijn er voldoende aanwijzingen dat de bepalingen van de pensioenregeling, neergelegd in bedoelde pensioenbrief, tussen Vitronic en de man zijn overeengekomen (rov. 4.4 onder a tot en met c).

(b) Vitronic was verplicht, overeenkomstig de bepalingen van de pensioenbrief, de pensioengrondslag jaarlijks te verhogen ingeval de salarisverhoging van de man daartoe aanleiding gaf (rov. 4.6).

(c) Nu vaststaat dat Vitronic de bepalingen van de pensioenbrief, in het bijzonder waar het betreft de verhoging van de pensioengrondslag, niet in acht heeft genomen, althans voor zover het betreft de uitvoering van de toezegging omtrent het weduwepensioen, heeft Vitronic jegens de vrouw onrechtmatig gehandeld (rov. 4.8).

(d) Dit laatste geldt ook voor de man, omdat hij tegenover de vrouw ten tijde van het echtscheidingsconvenant heeft verzwegen dat niet in overeenstemming met de bepalingen van de pensioenbrief was gehandeld en omdat hem als enig directeur/aandeelhouder van Vitronic een ernstig verwijt treft dat Vitronic haar verplichting ingevolge de pensioenbrief, voor zover de belangen van de vrouw daarbij in het geding waren, niet heeft nageleefd (rov. 4.9).

3.5 De stellingen van Vitronic en de man hielden daarentegen in dat door Vitronic van jaar tot jaar werd beslist omtrent de pensioenopbouw van de man en de vrouw en dat Vitronic zich dienaangaande niet heeft verplicht de bepalingen van de pensioenbrief te volgen (rov. 4.2.1). In eerste aanleg en in hoger beroep hebben de man en Vitronic bewijs van deze stellingen aangeboden, in hoger beroep door alle middelen rechtens eventueel door (met name genoemde) getuigen. Het Hof heeft echter in rov. 4.5 overwogen dat de man niet te bewijzen heeft "aangeboden dat de bepalingen van de pensioenregeling, vermeld in bedoelde pensioenbrief, tussen Vitronic en de man niet zijn overeengekomen". Daaraan heeft het Hof toegevoegd: "Met name heeft de man niet feitelijk toegelicht, noch te bewijzen aangeboden dat de salarisdiensttijdregeling waarop de pensioentoezegging van Vitronic is gebaseerd, een andere was dan die welke is neergelegd in de pensioenbrief. In verband met het hiervoor overwogene had dit wel op zijn weg gelegen".

3.6 De klacht van onderdeel 1 dat het Hof heeft miskend dat het de man vrijstond tegenbewijs te leveren tegen het hiervoor in rov. 3.4 onder (a) neergelegde oordeel van het Hof, slaagt. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het bewijsaanbod van de man en Vitronic met betrekking tot het bewijsthema onvoldoende gespecificeerd was en het daarom gepasseerd doch is daarbij uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, nu aan het aanbod tot tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het nader is gespecificeerd (HR 12 mei 2000, nr. R99/139, NJ 2000, 673 en HR 6 april 2001, nr. C99/158, RvdW 2001, 73).

3.7 De gegrondbevinding van onderdeel 1 brengt mee dat de onderdelen 2 en 3 geen behandeling behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 oktober 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man en Vitronic begroot op ƒ 716,23 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 2 november 2001.