Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD3923

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
26-10-2001
Zaaknummer
C00/014HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD3923
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a, geldigheid: 2001-10-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 574
JWB 2001/274

Uitspraak

26 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/014HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 30 december 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Brielle en, na wijziging van eis, gevorderd:

I.te verklaren voor recht dat het dienstverband tussen partijen op 16 oktober 1996, door het ontslag op staande voet is geëindigd;

II. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van ƒ 10.963,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling van:

1. een bedrag van ƒ 4.419,17 bruto en ƒ 3.246,45 netto per vier weken aan salaris, te vermeerderen met vakantietoeslag vanaf 16 oktober 1996 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig beëindigd zal zijn en met de tussentijdse verhogingen waarop [verweerder] op grond van zijn arbeidsovereenkomst en/of de van toepassing zijnde wettelijke maatregelen recht verkrijgt;

2. de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1638q (oud) BW ad 50% over de hiervoor gevorderde bedragen wegens niet tijdige betaling daarvan;

3. de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over voornoemde bedragen, te rekenen vanaf de eerste van iedere maand dat [eiseres] in gebreke blijft met betaling van voornoemde bedragen, tot aan de dag van algehele voldoening.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 28 januari 1997 op 5 maart 1997 gehouden comparitie van partijen heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 15 juli 1997 in conventie [verweerder] veroordeeld om aan [eiseres] te voldoen de somma van ƒ 3.654,44 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en in reconventie [verweerder] zijn vordering ontzegd.

Tegen beide vonnissen van de Kantonrechter heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

Bij vonnis van 5 augustus 1997 heeft de Rechtbank, rechtdoende in hoger beroep, [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 28 januari 1997 en het eindvonnis van 15 juli 1997 vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank in conventie de vordering afgewezen en in reconventie [eiseres] veroordeeld om aan [verweerder] te voldoen:

1. een bedrag van ƒ 3.654,44 bruto per maand, vermeerderd met de vakantietoeslag vanaf 16 oktober 1996 tot 16 juni 1997 en met de tussentijdse verhogingen waarop [verweerder] op grond van zijn arbeidsovereenkomst en/of de van toepassing zijnde wettelijke maatregelen recht heeft;

2. een bedrag van ƒ 600,-- bruto per maand, vermeerderd met een vakantietoeslag van 8% vanaf 16 juni 1997 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

3. de onder 1. en 2. vermelde bedragen, verhoogd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW ad 10%;

4. de wettelijke rente over de onder 1., 2. en 3. genoemde bedragen, berekend vanaf de eerste van iedere maand dat [eiseres] in gebreke is gebleven met betaling van voornoemde bedragen, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. O.S. van Beijeren, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 792,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 oktober 2001.