Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD2657

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
C00/007HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD2657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Provinciewet 131
Wet op de rechterlijke organisatie 101a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 600
JWB 2001/287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 november 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/007HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats],

3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. B.D.W. Martens,

t e g e n

DE PROVINCIE UTRECHT, zetelende te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [eiser] - zijn bij exploit van 12 maart 1997 in verzet gekomen van een door Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht op 31 januari 1997 uitgevaardigd dwangbevel. Voorts heeft [eiser] bij dit exploit verweerster in cassatie - verder te noemen: de Provincie - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en, na wijziging van eis, gevorderd:

a. [eiser] te verklaren voor goed opposant en het dwangbevel te vernietigen, althans het bedrag vast te stellen dat [eiser] dient te betalen;

b. primair: de Provincie te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met rente vanaf 12 maart 1997;

subsidiair: voorzover de Rechtbank oordeelt dat de Provincie rechtmatig heeft gehandeld bij de ontruiming voor wat betreft de toepassing van art. 131 Provinciewet: de Provincie te veroordelen tot een schadevergoeding van ƒ 145.000,-- met rente vanaf 12 maart 1997, welke eis als ingetrokken ware te beschouwen als de Rechtbank oordeelt dat de primaire vordering thans niet in behandeling kan worden genomen, zulks onder voorbehoud van rechten.

De Provincie heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 1 april 1998, hetwelk bij vonnis van 6 mei 1998 is verbeterd en aangevuld, het verzet gegrond verklaard voorzover de Provincie bij dwangbevel ƒ 21.539,57 aan incassokosten invordert, het verzet voor het overige ongegrond verklaard, de (overige) vorderingen van [eiser] afgewezen, en de door de Provincie gevraagde opheffing van de schorsing van de tenuitvoerlegging geweigerd.

Tegen het vonnis van 1 april 1998, zoals verbeterd en aangevuld bij vonnis van 6 mei 1998, heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 23 september 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Provincie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 6 juli 2001 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 2 november 2001.