Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3324

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
00343/01 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB3324
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 12
Uitleveringswet 18
Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, 's-Gravenhage , 24-06-1980 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 500
NJ 2001, 618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2001

Strafkamer

nr. 00343/01 U

SO/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 2 januari 2001, parketnummer 15/700034-00, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring "Havenstraat" te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van [de opgeëiste persoon] ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrif-tuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot ver-werping van het beroep.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel keert zich tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer, dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken ongenoegzaam zijn omdat deze geen inzicht geven in de rechtmatigheid van de bewijsgaring.

3.2. Als weergave van hetgeen door de raadsman is aange-voerd houdt het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 2 oktober 2000 onder meer in:

"Ik acht de stukken ongenoegzaam en wel om de volgende redenen:

Uit de overgelegde stukken blijkt niet of de in Nederland gepleegde infiltratie-aktie op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden";

en het proces-verbaal van de zitting van 19 december 2000:

"Ik herhaal hetgeen ik eerder heb aangevoerd omtrent de ongenoegzaamheid der stukken op het punt van de bewijsgaring. Met name op het punt van de infiltratie- en undercoveracties geven de thans voorhanden zijnde stukken onvoldoende inzicht".

3.3. De Rechtbank heeft aangaande het gevoerde verweer overwogen en beslist:

"De raadsman heeft tevens aangevoerd dat de stukken niet genoegzaam zijn aangezien geen stukken zijn overgelegd die inzicht kunnen geven in de rechtmatigheid van de bewijsvergaring en heeft daartoe verwezen naar de infiltratie- en undercoveractiviteiten waarvan in de stukken melding wordt gemaakt. Hij heeft aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek verzocht om de stukken op het onderhavige punt te laten aanvullen door de verzoekende staat, zeker waar ook hier te lande geacteerd is en niet duidelijk is wat hierover met de Nederlandse autoriteiten is afgesproken.

Het behoort echter niet tot de taak van de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering moet beslissen te oordelen over de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek c.q. van het daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal. Daaraan doet niet af dat in casu in het kader van een daartoe strekkend rechtshulpverzoek, door de Nederlandse bevoegde autoriteiten medewerking aan het opsporingsonderzoek is verleend.

Dit zou slechts anders kunnen zijn indien door de raadsman dusdanige gegevens naar voren zouden zijn gebracht dat zou blijken dat de opgeëiste persoon door de uitlevering risico zou lopen te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht.

In de onderhavige zaak is gesteld noch aannemelijk geworden dat er sprake zou kunnen zijn van zodanig risico. Het verzoek om aanhouding tot aanvulling van stukken, wordt mitsdien afgewezen.

De Rechtbank is van oordeel dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan de daaraan ingevolge het verdrag te stellen eisen".

3.4. Het onder 3.3 weergegeven oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In aanmerking genomen

- hetgeen door de raadsman aan feiten en omstandigheden is aangevoerd;

- dat de raadsman er geen beroep op heeft gedaan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering het risico liep te worden blootgesteld aan een flagrante schending van enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht;

is dat oordeel evenmin onvoldoende gemotiveerd.

3.5. Voorzover het middel berust op de stelling dat de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering oordeelt het bewijs, dat ten behoeve van de staat die uitlevering verzoekt voordien is vergaard met behulp van door Nederland als aangezochte staat verleende rechts-hulp, op een andere wijze zou behoren te toetsen op de rechtmatigheid van zijn verkrijging dan bewijs dat niet door middel van zodanige rechtshulpverlening is verkregen, vindt het geen steun in het recht. Als uitgangspunt geldt, zoals door de Rechtbank met juistheid is overwogen, dat aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat. Dat geldt in beginsel ook wanneer Nederland aan die bewijsgaring heeft bijgedragen door de verlening van rechtshulp.

3.6. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.M.M. Orie, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 juli 2001.