Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3318

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
10-10-2001
Zaaknummer
03354/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB3318
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 124, geldigheid: 2001-10-09
Wetboek van Strafvordering 124, geldigheid: 2001-10-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 544
NJ 2001, 658

Uitspraak

9 oktober 2001

Strafkamer

nr. 03354/00

KD/EDK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 mei 2000, nummer 22/003081-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren [te geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1973, ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Boschpoort" te Breda.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 30 november 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1. "moord" en 3. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan door het dragen van een vuurwapen van categorie III" veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. K. Wijnmalen, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt omdat een deel van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zonder wettige grond niet in het openbaar heeft plaatsgevonden.

3.2. Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van het Hof van 10 mei 2000 houdt onder meer in:

"Op de vraag van de voorzitter aan de getuige [betrokkene A] of hij bloed- of aanverwant van de verdachte is, wordt er door personen op de publieke tribune op luide toon geantwoord.

Hierop vermaant de voorzitter personen op de publieke tribune tot stilte. Enkele personen op de publieke tribune maken daarop opmerkingen, waarna de voorzitter de personen op de publieke tribune aanzegt tijdens de verdere behandeling van de strafzaak volledig stilzwijgen te bewaren.

Nadat hierop wederom door personen op de publieke tribune opmerkingen worden gemaakt, schorst de voorzitter de behandeling ter terechtzitting enkele minuten teneinde de parketpolitie in de gelegenheid te stellen de publieke tribune te

ontruimen. De voorzitter gelast dat de verdachte wordt gebracht naar het voor hem bestemde vertrek. Na terugkeer van de verdachte in de zittingzaal deelt de voorzitter mede dat het onderzoek wordt hervat.

(..)

De advocaat-generaal, verdachte en de raadsman doen afstand van de getuigen.

De raadsman van de verdachte verzoekt het hof de publieke tribune open te stellen. De advocaat-generaal heeft geen bezwaar tegen het verzoek van de raadsman van de verdachte.

Het hof, gehoord de raadsman van de verdachte alsmede de advocaat-generaal stelt de publieke tribune open voor belangstellenden".

3.3. Nu het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet inhoudt dat het Hof heeft bevolen dat enig gedeelte van de behandeling van de zaak met gesloten deuren zou plaatsvinden - in welk geval ook de vertegenwoordigers van de pers geen toegang tot de rechtszaal hebben - kan de klacht van het middel dat het daarin bedoelde onderdeel van het onderzoek ter terechtzitting niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.4. Voorzover het middel erover klaagt dat de Voorzitter van het Hof op een onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het handhaven van de orde op de terechtzitting door de publieke tribune te ontruimen, kan het evenmin tot cassatie leiden nu de klacht een handeling betreft waartegen beroep in cassatie niet openstaat.

3.5. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede namens de verdachte voorgestelde middel en van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, die in voorlopige hechtenis verkeert, heeft op 30 mei 2000, op de wijze als voorzien in art. 451a Sv, beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 22 mei 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze elf jaar en vijf maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 9 oktober 2001.