Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3296

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
03258/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB3296
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Opiumwet 8
Opiumwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 663
NJ 2002, 189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 november 2001

Strafkamer

nr. 03258/00

ACH/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 april 2000, parketnummer 22/000020-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noordsingel" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 30 november 1999 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Met het middel wordt opgekomen tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de in de container gevonden cocaïne onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal vormt. Het middel bevat allereerst de klacht dat het oordeel van het Hof onjuist is dat vanuit douanerechtelijk oogpunt controlebevoegdheid bestond met betrekking tot de container. Voorts wordt er in het middel over geklaagd dat het Hof niet heeft vastgesteld dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond als vereist in art. 9 van de Opiumwet.

3.2. De van het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 29 maart 2000 deel uitmakende pleitnotities houden in dat aldaar door de raadsman onder meer is aangevoerd:

"Blijft over de vraag naar de bevoegdheid van de douaneambtenaren. De rechtbank voert aan dat die bevoegdheid bestaat ten aanzien van goederen die vanuit zee het douanegebied van de Europese Unie binnenkomen ter verzekering van de eventueel verschuldigde belastingen en heffingen.

Daartegenin herhaal ik dat vanwege de eindbestemming Antwerpen en het verblijf van de goederen in entrepot die bevoegdheid niet bestond omdat er voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen heffingen of belastingen in zicht kwamen waardoor douanetoezicht aan de orde kon komen.

Feitelijk gebeurde er natuurlijk ook iets heel anders. Want de ambtenaren van belastingdienst, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar gingen met narcoticaspeurhond Gabber op pad naar de container.

Ik weet niet veel van honden en ik heb groot respect voor speurhonden, maar ik weet zeker dat een ambtenaar met een narcoticaspeurhond bij een container met als lading volgens de laadbrief huiden niet bezig is met een onderzoek naar verschuldigdheid van belastingen of heffingen. En de hond al helemaal niet.

In deze vorm leg ik het verweer dus nogmaals aan u voor: dubbele onbevoegdheid omdat er geen Nederlandse belastingen en heffingen met de container gemoeid waren en het onderzoek vanaf het begin een controle op grond van de opiumwet is geweest waarvoor geen wettelijke basis bestaat. Dat maakt in mijn ogen de vondst onrechtmatig. Uitsluiting ervan voor het bewijs is de meest voor de hand liggende en ook terechte reactie."

3.3. Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

"Dit verweer vindt geen steun in het recht. De container was vanaf zee Nederland binnengekomen, bevond zich op het haventerrein van ECT te Rotterdam en had blijkens het cognossement als bestemming Nijmegen. Niet valt in te zien waarom, vanuit douanerechtelijk oogpunt, geen controlebevoegdheid bestond met betrekking tot deze container. Dat de opsporingsambtenaren waren vergezeld van narcoticaspeurhonden, bestempelt de door hen uitgevoerde controle nog niet (louter) tot een onderzoek naar bij de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Tot zodanig onderzoek waren zij gelet op het bepaalde in de artikelen 8 en 9 van de Opiumwet overigens wel bevoegd. Het verweer wordt verworpen."

3.4. In cassatie staat vast dat het hier cocaïne betreft die over zee het grondgebied van Nederland is binnengebracht en dat bij een door de douane op een haventerrein uitgevoerde controle met behulp van een narcoticaspeurhond die cocaïne is aangetroffen.

3.5. De in de eerste klacht verwoorde opvatting miskent dat niet valt in te zien hoe het enkele controleren van een lading met een narcoticaspeurhond als in het verweer bedoeld, inbreuk kan maken op enig recht van de verdachte of anderszins onrechtmatig kan zijn. Daarom heeft het Hof het verweer terecht verworpen. Uit het vorenstaande volgt dat de klacht over het oordeel van het Hof dat de douaneambtenaren, gelet op de art. 8 en 9 Opiumwet, bevoegd waren tot doorzoeking van de container, geen bespreking behoeft.

3.6. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

5.1. De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 19 april 2000 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 5 juni 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

5.2. Dat brengt mee dat de redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze 4 jaren en

9 maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 november 2001.