Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3288

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
16-10-2001
Zaaknummer
03123/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB3288
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

9 oktober 2001

Strafkamer

nr. 03123/00

KD/EDK

Hoge Raad der Nederlanden

Tussenarrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 februari 2000, nummer 20/000754-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1978, ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Oosterhoek" te Grave.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 19 februari 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van subsidiair "medeplegen van doodslag" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte.

Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur middelen van

cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat het onderzoek ter terechtzitting van het Hof van 4 februari 2000 nietig is, aangezien zich bij de stukken van het geding niet de volledige door de raadsman van verdachte aldaar overgelegde pleitnotities bevinden. Hiertoe wordt aangevoerd dat uit de redactie van met name de laatste zin van de laatste pagina (genummerd 4) van de aangehechte pleitnota volgt dat de overgelegde pleitnota méér bevatte dan de vier pagina's waaruit het aangehechte exemplaar bestaat.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2000 (p. 13-14) houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging. De raadsman pleit daartoe -zakelijk weergegeven- :

Ik verzoek primair het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren (...)

De raadsman voert vervolgens aan hetgeen is vervat in de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnotities, welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de inhoud wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast."

3.2.2. Aan genoemd proces-verbaal is allereerst gehecht een pleitnota die is voorzien van de volgende aanhef:

"Pleitnotities inzake [betrokkene A] & [verdachte]

Zitting Gerechtshof te Den Bosch d.d. [zie hierna] te 9.30 uur.

Advocaat; A.S. van der Biezen."

De in de aanhef van deze (eerste) pleitnota vermelde datum (9 november 1999) is doorgehaald. Daarom moet

worden aangenomen dat deze pleitnota was bedoeld om voorgedragen te worden ter terechtzitting van het Hof van 9 november 1999, hetgeen niet is geschied ten gevolge van de aanhouding van de behandeling van de zaak aldaar tot de terechtzitting van 17 januari 2000.

3.2.3. Voorts is aan dit proces-verbaal een pleitnota gehecht die vier bladzijden, genummerd 1 tot en met 4, omvat en is voorzien van de volgende aanhef:

"Pleitnotities inzake gebroeders [...]/OM

Zitting d.d. 4 februari 2000

Gerechtshof te Den Bosch.

te 9.30 uur.

Advocaat: A.S. van der Biezen."

Deze (tweede) pleitnota behelst - zakelijk weergegeven - een bespreking van getuigenverklaringen die op de

terechtzittingen in hoger beroep van 9 november 1999 en 17 januari 2000 zijn afgelegd. De laatste bladzijde van de aangehechte pleitnota houdt het volgende in:

Zie Gommans omtrent verhoor [betrokkene B].

Zie verklaring [betrokkene C].

[Volgt een wit gedeelte van bijna een halve pagina.]

[Betrokkene B]; "De politie heeft mij gesuggereerd hoe [betrokkene D] in het water terecht is gekomen".

"Ik herinner me nog wat ik op 4 november 1998 heb verklaard. Bij die verklaring was verbalisant Sijbers en nog een andere verbalisant aanwezig, waarschijnlijk verbalisant Gommers. Het was echter het initiatief van verbalisant Sijbers. De andere

[Volgt wederom een wit gedeelte van ca. 1/3 pagina.]

3.3. In een geval als het onderhavige, waarin het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof inhoudt dat door de raadsman pleitnotities zijn overgelegd "welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de inhoud wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast", moet er in cassatie van worden uitgegaan dat de pleitnotities die zijn gehecht aan de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, zowel wat inhoud en omvang betreft dezelfde zijn als die welke door de raadsman zijn overgelegd. Dat is slechts anders indien in cassatie op grond van bijzondere omstandigheden moet worden aangenomen dat bij de aanhechting sprake is geweest van een misslag, ten gevolge waarvan het aangehechte stuk niet of niet volledig overeenkomt met hetgeen door de raadsman is overgelegd.

3.4. Een zodanige bijzondere omstandigheid doet zich hier niet voor. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, is er geen grond om aan te nemen dat laatstgenoemde pleitnotities afwijken van die welke door de raadsman zijn overgelegd.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Slotsom

In de conclusie van de Advocaat-Generaal is slechts het door de Hoge Raad ongegrond bevonden middel behandeld. Hij behoort in de gelegenheid te worden gesteld zich alsnog uit te laten over de overige middelen. Daartoe dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Verwijst de zaak naar de rolzitting van 20 november 2001 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 oktober 2001.