Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3200

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
31-10-2001
Zaaknummer
02659/00 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB3200
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e, geldigheid: 2001-10-30
Wetboek van Strafrecht 36e, geldigheid: 2001-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 586
NJ 2002, 124
JOW 2002, 1

Uitspraak

30 oktober 2001

Strafkamer

nr. 02659/00 P

SO/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 8 juni 2000, nummer 24/001216-98, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[de betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Groningen.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 3 december 1998 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van zevenenveertigduizendzeshonderdéén gulden, subsidiair éénhonderdzestig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R. Zilver, advocaat te Wijk bij Duurstede, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte niet uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing heeft gegeven op het verweer dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening moet worden gehouden met een bedrag van fl. 24.600,-- aan kosten in verband met door de betrokkene ten behoeve van [persoon A] gedane uitgaven.

3.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota is namens de betrokkene aldaar het volgende aangevoerd:

"1. KOSTEN M.B.T. [persoon A]

Specificatie

(zie aangifte 22-02-1996, verklaring R-C 15-10-1996 en schriftelijke reactie in eerste aanleg d.d. 7 mei 1997)

1. Schuld [persoon B] en [persoon C] f 3.000

2. 6 weken huur [persoon D] - 600

3. Overname woning - 10.000

4. 5 maanden huur [e-straat] - 5.000

5. huurschuld - 2.000

6. witgoed - 4.000

________

totaal f 24.600

De Rechtbank heeft geoordeeld dat deze kosten niet noodzakelijk waren en niet in een directe relatie tot de delicten stonden (vgl. HR 8 juli 1998, NJ 1998/841) Dit oordeel is echter niet juist, hetgeen blijkt uit de diverse verklaringen van [persoon A]. Zij heeft immers aangegeven een "geldrelatie" met cliënt te hebben gehad en dat hield onder meer het volgende in:

"Van het geld wat overbleef, ging het meeste naar [de betrokkene]. Dat was een afspraak tussen ons beiden. Hij zou mij helpen en ik zou hem helpen. Het was een soort spaarpot bij hem, waarvan hij een woning voor mij zou inrichten naar mijn smaak. Dat is één keer gebeurd aan de [e-straat]. Die woning werd overgenomen van [persoon F]." (R-C)

"[De betrokkene] betaalde de huur van mijn verdiensten"

(politie)

"Op een gegeven moment kon ik de huur niet meer betalen. [de betrokkene] heeft toen de huurschuld betaald. On-geveer 2.000 gulden. Over dat bedrag waren geen afspraken gemaakt. Ik werkte voor [de betrokkene] en hij zorgde voor mij." (R-C)

Hieruit kan niets anders worden afgeleid dan dat [persoon A] haar inkomsten aan cliënt heeft afgestaan, omdat cliënt al die uitgaven voor haar deed. Dat was immers afgesproken. Die kosten waren derhalve strikt noodzakelijk en staan in directe relatie tot de strafbare feiten waarvoor cliënt is veroordeeld. Indien hij die uitgaven niet had betaald, had [persoon A] niet haar inkomsten aan hem afgestaan en was er voor cliënt ook geen voordeel geweest uit haar prostitutiewerkzaamheden. Het betreffende bedrag ad f 24.600 dient derhalve in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel."

3.3. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechterlijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen (vgl. HR 8 juli 1998, NJ 1998, 841). De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten.

De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Wanneer evenwel, zoals in het onderhavige geval, door of namens de veroordeelde gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter in zijn uitspraak tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven.

3.4. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, in dat het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de inkomsten van [persoon A] heeft gesteld op fl. 89.220,-- en de ten behoeve van haar gedane uitgaven op fl. 60.900,--. Daaruit kan niet volgen of en in hoeverre het Hof rekening heeft gehouden met de in het verweer bedoelde kosten van in totaal fl. 24.600,--. Ook overigens houdt de bestreden uitspraak niets in waaruit kan volgen dat het Hof heeft geoordeeld of de in het verweer genoemde kosten hetzij niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij wel als zodanig kunnen gelden maar - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven. Dat brengt, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen, mee dat de bestreden uitspraak ontoereikend is gemotiveerd, zodat zij niet in stand kan blijven.

3.5. Het middel is dus gegrond.

3.6. Opmerking verdient nog dat voorzover in de bestreden uitspraak als oordeel van het Hof besloten mocht liggen dat de rechter ter zake van de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36e Sr geen hoger bedrag mag vaststellen dan door het openbaar ministerie is gevorderd, dat oordeel onjuist is, aangezien geen rechtsregel zich daartegen verzet.

3.7. Voorts verdient nog opmerking dat 's Hofs oordeel dat hier sprake is van een "onredelijk lange duur van de gehele ontnemingsprocedure", zonder nadere doch ontbrekende motivering onbegrijpelijk is indien het Hof daarmee bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, in aanmerking genomen dat in hoger beroep blijkens de aldaar overgelegde pleitnota slechts is aangevoerd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn

"die zich met name heeft voorgedaan tussen de laatste zitting in eerste aanleg (5 november 1997) en de eerste behandeling in hoger beroep (26 augustus 1999). Hiertussen zit een periode van ruim 21 maanden, waarin de Rechtbank op 3 december 1998 - ruim een jaar na afsluiting van het onderzoek ter terechtzitting! - uitspraak deed.",

terwijl de bestreden uitspraak voorts niets inhoudt omtrent de mate waarin de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting is verminderd in verband met de aangenomen overschrijding van de redelijke termijn (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 en HR 21 januari 2001, NJ 2001, 307).

4. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 oktober 2001.