Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AB3102

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
02-11-2001
Zaaknummer
R01/010HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB3102
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 96
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 807a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 595
JWB 2001/285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 november 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/010HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vader], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. R. Kaya,

t e g e n

Stichting Jeugdzorg Zeeland, gevestigd te Middelburg,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 17 oktober 2000 ter griffie van de Rechtbank te Middelburg ingediend verzoekschrift hebben verzoeker tot cassatie en zijn echtgenote - verder te noemen: de ouders - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de door verweerster in cassatie - verder te noemen: Jeugdzorg Zeeland - gegeven schriftelijke aanwijzing van 3 oktober 2000 geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.

Nadat de Rechtbank op 16 november 2000 de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren had behandeld, heeft de Rechtbank bij beschikking van 16 november 2000 het verzoek afgewezen.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Jeugdzorg Zeeland heeft verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep, dan wel - subsidiair - het cassatieverzoek ongegrond te verklaren.

Bij verweerschrift op niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep heeft de vader zich tegen het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring verweerd, waarna Jeugdzorg Zeeland, nadat zij bij brief van 27 maart 2001 daartoe toestemming had gevraagd en verkregen, op dat verweer heeft gereageerd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 Het gaat in deze zaak om een verzoek tot gehele of gedeeltelijke vervallenverklaring van een door Jeugdzorg Zeeland op 3 oktober 2000 aan de ouders gegeven aanwijzing om niet op eigen initiatief contact op te nemen met de kinderen en hun pleegouders, maar ieder contact tot stand te laten komen door tussenkomst van de gezinsvoogdes.

3.2 Voor de ouders heeft op grond van art. 807 onder a Rv. in verbinding met art. 1:263a lid 2 BW hoger beroep opengestaan, zodat de vader ingevolge art. 96 RO niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.

3.3 Op grond van de gegevens vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling-Van Gent onder 2.3 staat vast dat de vader tijdig en binnen de termijn van appel beroep in cassatie heeft ingesteld, zodat hij op de voet van art. 340 in verbinding met art. 429n lid 2 Rv. alsnog hoger beroep bij het Hof zal kunnen instellen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 2 november 2001.